Cultuur is geen uitgave maar een investering in de toekomst

De subsidiëring van kunst en cultuur kost maar een kwart van wat het Lenteakkoord verdient door de onbelaste reiskostenvergoeding af te schaffen. Toch wordt op kunst een kwart bezuinigd. De manier waarop is een voorbeeld van de aanmatigende overheid die tegelijk zegt: ik heb niet veel op met wat u doet, maar jullie moeten wel fuseren, denken aan diversiteit, meer de markt op gaan en bijdragen aan het maatschappelijk debat.

Alleen al de term ‘basisinfrastructuur’, leidraad in het deze week verschenen advies van de Raad voor Cultuur, is om ernstig niet goed van te worden. Het is ook lastig voor een overheid die niet meer kan bedenken waar kunst en cultuur goed voor zijn. En steeds musea, orkesten en toneelgroepen ziet langs komen voor hun financiële joint. Vleiend maar hinderlijk.

Zonder rijke vorsten en kooplieden zouden veel grote Europese schilders en componisten hun olieverf en notenpapier niet hebben kunnen betalen. Die rol is in dit deel van de wereld geleidelijk overgenomen door overheden. In Nederland groeide vorige eeuw een traditie waarin de overheid zich op rijks- en gemeenteniveau verantwoordelijk voelde voor cultuur en kunstzinnige vorming.

Gerardus van der Leeuw, die na de Tweede Wereldoorlog kortstondig minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen was, schetste in zijn boek ‘Nationale Cultuurtaak’ (1947) de opdracht die de gemeenschap heeft om cultuur te spreiden, door het land en naar alle lagen van de samenleving. Hoewel latere kabinetten er tegenin mopperden, bleef cultuur-voor-velen een ambitie waar publiek geld voor werd gereserveerd.

De laatste tien, twintig jaar is die vanzelfsprekendheid afgekalfd. Als jullie zo nodig naar de opera moeten, wordt Henk en Ingrid in de mond gelegd, dan dokken jullie maar zelf. Wie tot voor kort kon antwoorden: ik heb ook niet gevraagd om de massale politie-inzet bij jullie voetbalwedstrijden te mogen betalen, wordt door het Lenteakkoord bediend –  de clubs krijgen voortaan een politierekening, die 30 miljoen moet opbrengen.

In de adviesaanvrage van staatssecretaris Zijlstra en het advies van de Raad voor Cultuur wordt, zoals zo vaak, een nieuwe kloekheid gecombineerd met een zeer forse bezuiniging – die buiten discussie staat en veel sterker is dan wat gemiddeld wordt opgelegd. Onderbuikbeleid. De Raad sputtert wat tegen, maar aanvaardt de opdracht om er het beste van te maken, nadat de vorige voorzitter symbolisch haar ontslag had aangeboden.

Die kloeke toon vindt houvast in een aantal modieuze begrippen – cultureel ondernemerschap, culture of asking, ketenbenadering, netwerken, ondernemende competenties, maatschappelijke impact – maar een allesomvattende visie ontbreekt. Een staatssecretaris van juist kunst en cultuur mag best enig idealisme ontwikkelen op zijn terrein. Van een Raad voor Cultuur mag dat zonder meer worden verwacht. Maar door taalgebruik en dienstbaar lenen van dezelfde begrippen uit de managementadvieswereld maakt de Raad zich tot willing executioner van een staatssecretaris die vrijwillig PVV-beleid uitvoert. Of is het  zijn eigen beleid, en dat van het VVD- en CDA-kabinet?

Een verzachtende omstandigheid is dat kunstsubsidiëring nooit makkelijk of vanzelfsprekend is. Het zit vol risico’s: van staatskunst als de vorst zijn Beethovens kiest, van vriendjespolitiek als commissies van collega’s de potjes verdelen, van mislukte spreiding als alleen de rijken naar de Stopera gaan. Bovendien: in iedere subsidie zit een afhankelijkheids- en een luiheidsgevaar. In de praktijk valt het wel mee, er worden ontzettend veel mooie voorstellingen, concerten en tentoonstellingen gemaakt op een klein grondgebied.

Staatssecretaris en Raad bewijzen lippendienst aan al het moois en het opvoedende in het bestel, maar geven het intussen een flinke opdonder. Wim Pijbes, de directeur van het Rijksmuseum, maakte begrijpelijk bezwaar tegen de beledigende aanvraagformulierenlogica die hem een standje opleverde. Wie van schaarse middelen het goede adviesbureau huurt om door de juiste bureaucratische hoepels te springen, krijgt een groen vinkje. Het is dezelfde papieren waarheidsliefde die de visitatieplaag in het onderwijs gaande houdt.

Natuurlijk, de Raad voor Cultuur heeft gewaarschuwd dat het kiezen uit verschillende kwaden was. En als de Raad dat nu eens had geweigerd? Dan waren zij ontslagen, en hun opvolgers ook. Net zo lang tot iedereen wist dat de onafhankelijkheid van die Raad een wassen neus is. Misschien had de Raad de staatssecretaris, zijn ambtenaren, de Tweede Kamer en de rest van het volk kunnen verrassen. Met een vlammend pleidooi.

De Raad had bijvoorbeeld dit kunnen schrijven. De tijden zijn rommelig, misschien gaat de euro en ons pensioen wel naar de bodem, of valt de Europese Unie uit elkaar, maar wij zullen tot in lengte van dagen het beste van Nederland en ons leven willen maken. We kunnen vrij goed handelen en we harken de halve wereld aan. We hebben bovendien een naam hoog te houden als vrijhaven van originele gedachten. Wat elders moeilijk ligt, drukken we hier al eeuwen af.

Misschien dat ze in Silicon Valley nieuwe gadgets bedenken, wij zijn al eeuwen goed in wat mooi en nieuw is – stoelen, schilderijen, muziek, moderne dans, theater tussen alle genres in. Dat is de meest vergeten topsector op het lijstje van Verhagen. Laten we juist daarin investeren. Hou de muziekscholen en de Rijksacademie open. Geef geniale gekken een kans. Een volk dat andere werelden in de ziel bereist, overwint zingend iedere toekomst.