Alien: een monster uit het abattoir en de autosloop

Met Alien stelde Ridley Scott in 1979 een nieuwe standaard voor buitenaardse monsters. De ‘biomechanische exomorf’ met de haaientanden zou in een reeks van vervolgen terugkeren op het witte doek, om in Alien 4 als ongevaarlijk dierentuindier te eindigen.

John Hurt wordt belaagd in Alien, 1979

In de ruimte hoort niemand je schreeuwen. De film Alien, waarin een buitenaards wezen de bemanning van een mijnschip uitmoordt, was in 1979 een monsterhit die alleen in de bioscoop al tienmaal zijn productiebudget van 11 miljoen dollar terugverdiende. Het was de kroon op een tijdperk van escalerende lichaamshorror. Deze vieze horrorsoort werd mogelijk door een liberale filmcensuur en de uitvinding van latexschuim om mensenvlees te simuleren. En ze werd gevoed door een onderhuidse angst voor milieuverontreiniging, medische technologie en ingrepen in de voortplanting, zoals de pil of het schandaal rond de softenonpil die baby’s misvormde.

Het lichaam mocht dan een tempel zijn, de muren werden poreus. De jaren zeventig was een decennium van mutaties, zombies, besmettingen en monsterbaby’s. Maar nog dichter aan zieke seksuele symboliek dan het werk van de jonge regisseur David Cronenberg raakt Alien van Ridley Scott.

De toen 42-jarige Ridley Scott, wiens stijlvolle speelfilmdebuut The Duellists twee jaar daarvoor was geflopt, huurde de Zwitserse surrealist H.R. Giger in, die Alien zijn grauw-glimmende, gruizige look gaf. Giger kneedde uit auto-onderdelen, ribbenkasten uit het abattoir, slangenruggen en plastic zijn ‘biomechanische xenomorf’; de lange, graatmagere Bolaji Badejo bemande het pak. Het resultaat was een in drie fasen evoluerend ruimtemonster:

1. Facehugger, een glimmende krab, springt vanuit een lederachtig ei in het gezicht om via orale verkrachting zijn eitje in een mensenbuik te leggen.

2. Chestbuster, een benige fallus met tanden, ramt bij de geboorte dwars door de ribbenkast.

3. The Big Guy met zijn zwarte fallische babyschedel met vagina dentata en uitklapgebit, druipend van slijm. Zijn bloed bestaat uit bijtend zuur.

Maar dat monster kreeg je pas aan het eind echt te zien. Schrijver Dan O’Bannon pitchte Alien als ‘Jaws in de ruimte’, en net als in Jaws (de haaienhit van Steven Spielberg uit 1975) was het monster eng doordat je slechts flitsen en fragmenten zag: een striptease van de angst. Alien was gothische ruimtehorror, en dat was nieuw. Indertijd betekende sciencefiction snelheid, licht en frisse kleuren; mijnschip Nostromo was juist een gammel, traag en duister vrachtschip vol donkere hoeken, stoomwolken en lekken – spinnerag en krakende deuren ontbrak er nog aan.

Na het succes van Alien ontfermden andere grote regisseurs zich over de serie. Eerst James Cameron (Titanic, Avatar) met Aliens (1986), die het zocht in meer nu we het monster in zijn volle naakte horreur kenden. Nu liep een zwerm aliens een menselijke kolonie onder de voet en moest heldin Ripley met een peloton mariniers op bug hunt. Aliens bleken nu een zwerm insecten te zijn, met een enorme koningin, vooral gevaarlijk door hun meedogenloze doodsdrift. Toch was ook deze film invloedrijk.

De mariniers, hun uniformen, de wijze waarop ze met groteske wapens door een spookachtig industrieel complex slopen: het wordt nog steeds nagedaan in videogames. Daarna ging het bergafwaarts met de reeks. De talentvolle David Fincher (The Fight Club, The Social Network) maakte in 1992 zijn speelfilmdebuut met Alien 3. Ripley belandde ditmaal na een noodlanding op een gevangenisplaneet en bleek zwanger van een ‘Chestbuster’ – bij de bevalling wierp ze zich in een bak kokend lood. Met deze deprimerende film leek de serie aan haar eind gekomen.

In Alien: Resurrection liet de Franse stilist Jean-Pierre Jeunet (Amélie) in 1997 Ripley nog eens klonen en ging hij in geboortehorror over de top: Ripley was nu moeder van een enorme, larfachtige kruising tussen alien en mens. Geen sof, ook geen groot succes; Fox stopte ermee. De biomechanische xenomorfen mochten in 2004 en 2007 opdraven als de prooidieren van een buitenaardse jagersras uit een andere sf-serie, Predator.

Het monster van H.R. Giger is een icoon geworden, maar een nutteloos icoon. In Prometheus duikt het niet op, zegt Ridley Scott. Niet eng genoeg, sinds de mens in deel 4 het wezen gewoon in glazen kooien houdt, zegt hij. Een dierentuindier. „De alien moet dom, verscheurend en onverwoestbaar zijn, zodat je als mens volstrekt kansloos bent. Dat is hij allang niet meer.”