Weelderige cascade van bloemen

Jan van Huysum: ‘Glazen vaas met bloemen en vinkennest’, 1720-1721’.

Geloof in natuur; bloemen van betekenis. Bijbels Museum Amsterdam. T/m 30/9. Inl.: bijbelsmuseum.nl

Al ten minste sinds Franciscus van Assisi’s Zonnelied uit het begin van de dertiende eeuw zien christenen van alle gezindten de grootheid en almacht van God weerspiegeld in de natuur en haar verschijnselen. De heilige loofde God niet alleen in hemellichamen als ‘broeder Zon’ en ‘zuster Maan’, maar ook in ‘alle schepselen’ en zelfs in ‘zuster onze lijfelijke dood’.

Het is daarom niet vergezocht om religieus getinte betekenissen te zoeken in uitbeeldingen van landschappen, vruchten en bloemen, zoals die in de Hollandse Gouden Eeuw in grote hoeveelheden zijn geproduceerd. Afgaand op de titel van de tentoonstelling in het Bijbels Museum, Geloof in natuur – bloemen van betekenis, willen de samenstellers die interpretaties van bloemstillevens tonen.

De kern van de presentatie vormt een vijftiental stillevenschilderijen uit de zeventiende en achttiende eeuw. De werken komen uit een Londense privécollectie en worden nu voor het eerst als groep aan een groot publiek getoond.

De verzamelaar heeft er duidelijk een uitstekende neus voor, want onder de schilderijen zijn juweeltjes van bloemschilderkunst van de hand van grootmeesters in het genre, zoals Balthasar van der Ast, Jan Davidsz. de Heem en Rachel Ruysch. In uitgekiende composities schilderden zij meestal onmogelijke boeketten: soms te groot voor hun vaas, en vaak samengesteld uit bloemen van verschillende seizoenen.

De bloemen zijn minutieus geobserveerd en de soorten voor de kenner duidelijk herkenbaar. Aan het begin van de traditie van bloemstillevens die in de Nederlanden omstreeks 1600 inzette, zijn ze helder gerangschikt, met elke bloem duidelijk zichtbaar.

In de achttiende eeuw wordt de schikking losser, met meer overlap. Een prachtig doek van de Amsterdamse schilder Jan van Huysum (1720) bijvoorbeeld, toont een weelderige cascade van bloemen. Het boeket komt uit de donkere achtergrond naar voren in kleuren die variëren van het grijsblauw van een Engelse lis, tot het oudroze van een Provenceroos. De vaas is zo goed als onzichtbaar, en rechtsonder ligt een vinkennest waarvan de sprietjes ook precies blijken te kunnen worden gedetermineerd.

Eerder dan de bloemen zijn het andere schilderijen en prenten die duidelijk moeten maken hoe stillevens begrepen moeten worden. Bij voorstellingen van gedekte tafels met gedeeltelijk geschilde vruchten of een kapotgevallen wijnglas, komen gedachten aan de vergankelijkheid van het aardse, en dus de eeuwigheid van het goddelijke, als vanzelf op.

Uit prenten en emblemata blijkt hoe geleerden en theologen christelijke en moraliserende betekenissen herkenden in de natuur. Zo zag men de zonnebloem, die altijd met de zon meedraait, als de menselijke ziel die zich steeds tot God zou moeten richten.

In de catalogus wordt ook gegist naar de symboliek van geschilderde bloemen. Zo verbeeldt de witte lelie de reinheid van Maria, verwijst het driekleurig viooltje naar de Drie-eenheid en is de anjer met zijn nagelvorm een symbool voor de passie van Christus. Of zulke verwijzingen ook telkens door de schilders van bloemstillevens zijn bedoeld, is bij gebrek aan expliciete bronnen, vaak domweg onbekend. Zaalteksten en catalogus zijn daarom terughoudend in het interpreteren van afzonderlijke bloemstillevens. Anders dan de titel van de expositie doet vermoeden, stelt zij vooral de variatie en schoonheid centraal van geschilderde bloemen.