Texaanse boeren verneder je

Ruim 3000 pagina’s beslaat Robert Caro’s biografie van Lyndon B. Johnson, en dan is hij nog niet eens bij diens presidentschap beland. Ook deel 4 is sublieme geschiedschrijving.

Vice-president Lyndon B. Johnson legt in de Air Force One in bijzijn van Jacqueline Kennedy (r.) en Lady Bird Johnson (l.) de eed af als president van de Verenigde Staten, uren na de moord op John F. Kennedy op 22 november 1963 Foto Cecil Stoughton/Bloomberg News

Robert Caro: The passage of power. The years of Lyndon Johnson, vol. 4. Knopf, 605 blz. € 31,–

Het was, zo schrijft Robert Caro, ‘een van de grote bloedvetes in de Amerikaanse politieke geschiedenis’: de virulente haat tussen Lyndon Baines Johnson en Robert Kennedy, die zou beginnen in 1953 en pas zou eindigen met de moord op RFK, in 1968. Caro schrijft dit in het vierde deel van zijn monumentale biografie van de man die de 36ste president van de Verenigde Staten zou worden.

De wordingsgeschiedenis van Caro’s levenswerk is op zichzelf een ‘making of’ waard. Toen hij in 1975 begon, was Caro van plan drie delen aan het onderwerp LBJ te wijden. Met The Passage of Power zijn dat er nu vier geworden, 3000 pagina’s noten en dergelijke niet meegerekend. Na de verschijning van het eerste deel in 1982 werd Caro getroffen door een Texas-brede omertá vanwege de negatieve toonzetting van dat boek. Het was vooral dankzij oud-gouverneur en latere Reagan-propagandist John Connally dat dat stilzwijgen werd doorbroken. Caro schrijft nu dat er nog één deel gaat komen, maar wie de ontstaansgeschiedenis van dit magnifieke werk heeft gevolgd kan niet anders dan dat betwijfelen.

Het vierde deel behandelt de jaren van zijn vice-presidentschap onder John Kennedy, maar met name de eerste weken van zijn presidentschap na de moord op laatstgenoemde.

De haat tussen Johnson en Robert Kennedy werd van Kennedy’s kant geïnspireerd door het feit dat Johnson een protegé was geweest van Franklin Roosevelt, de president die in zijn laatste jaren een bitter conflict had uitgevochten met Kennedy’s vader Joe. Nadat Robert tot driemaal toe had geprobeerd Johnson over te halen zich terug te trekken als potentiële vicepresident, zou het nooit meer goed komen tussen beide mannen.

Voor Johnson was dit een kwetsbare periode. Hij was zelf in de race geweest voor de kandidatuur die aan JFK werd toegewezen, maar hij had zich te laat in de strijd gemengd. De angst om te verliezen speelde hierbij een rol. Johnsons vader had gefaald in het leven, en alles wat de ambitieuze Texaan ondernam stond in het teken van ‘not to be like his daddy.’ Dat JFK hem het vice-presidentschap aanbood was al een verrassing, maar dat Johnson dat accepteerde was een nog grotere. Hij was als leider van de Senaat jarenlang de op een na machtigste man van Washington geweest, en was moreel en financieel in hoge mate gebonden aan de uiterst conservatieve, zuidelijke, racistische oliebelangen die een Kennedy-presidentschap als een groot gevaar zagen.

Steenrijk

Nu zag hij zichzelf al binnen enkele maanden gereduceerd tot een grotendeels ceremoniële functie en het was de minister van Justitie, Robert Kennedy, meer dan zijn broer, die hem dit liet beseffen. Johnson was een beklagenswaardige figuur in die jaren als vice-president, zwijgend, morrend, vol zelfbeklag, steeds in de schaduw van de bijna koninklijke Kennedy’s. Zij en hun entourage waren allemaal steenrijk geboren en ‘Harvards’ in de ogen van de man van bescheiden komaf, wiens eigen opleiding tot een kweekschool in Midden Texas beperkt was gebleven. Johnson besefte dat hij uitgelachen werd om zaken als zijn uitspraak van het woord hors d’oeuvres, op etentjes in Washington waarvoor hij niet werd uitgenodigd.

De capaciteit om te haten was bij beide mannen even groot. Maar terwijl Johnson tenminste éénmaal een bijna pathetische poging deed de vete te verzachten (‘waarom mag je me niet Bobby,’ smeekte hij de minister van Justitie tijdens een receptie in het Witte Huis, ‘ik weet dat je me niet mag, maar waarom niet?’ ) werd de haat bij de jongere Kennedy alleen maar erger en resulteerde in een reeks van vernederingen. Die haat zou bij Robert, met al zijn sociale compassie, alleen nog maar toenemen nadat zijn broer John was vermoord en hij deze Texaanse boer op de plek zag zitten die in zijn ogen, bijna volgens geboorterecht, aan zijn familie toebehoorde.

Tot in lengte van dagen zou hij aan JFK blijven refereren als aan ‘de President’ en aan Johnson op zijn best als ‘deze man’, die ‘gemeen (is), bitter, wreed – in veel opzichten een beest.’ Johnson, op zijn beurt, zou na de moord op Robert nog een poging ondernemen te verhinderen dat deze naast zijn broer op Arlington begraven zou worden.

Dallas

Maar hoe fascinerend ook, deze ‘bloedvete’ is voor Caro niet het belangrijkste element in deze fase van Johnsons presidentschap. Dat zijn de zeven weken tussen de moord in Dallas en LBJ’s eerste State of the Union op 8 januari 1964, ‘the passage of power’ met andere woorden. Hierin wist Johnson zijn onaangenaamste kanten te onderdrukken en haalde hij de gehele Kennedy-clan althans voor even over aan te blijven om continuïteit te waarborgen.

Terwijl het land in diepe rouw was, werkte Johnson vrijwel onopgemerkt aan een historische wetgeving inzake burgerrechten en armoedebestrijding, die hij ook door het Congres wist te loodsen. Zou dit JFK, ‘de man van de woorden’, als hij was blijven leven, ook gelukt zijn, gezien de felle obstructie van met name het zuidelijke, racistische deel van de Democratische fractie in de Senaat? Die vraag is, samen met de Vietnam-oorlog die Johnsons ondergang zou worden, de belangrijkste in het volgende deel.

Caro behoort tot de besten in zijn métier. Hij gaat uitzonderlijk grondig te werk in zijn bronnenonderzoek, én hij is een begenadigd verteller – de openingshoofdstukken van het eerste deel gelden nog steeds als maatstaf voor elke historicus. Tenslotte is Caro bij uitstek een interpreterend biograaf – de vele retorische herhalingen die voor zo’n interpretatie nodig zijn, vormen het enige bezwaar tegen zijn werk.

Hoeveel delen komen er nog? Johnson moet aan het eind van dit vierde deel nog zijn landslide overwinning op Goldwater boeken. Er volgt nog zijn presidentschap, de escalatie van de Vietnam-oorlog, zijn aankondiging, in 1968, zich niet herverkiesbaar te stellen en tenslotte de laatste zes jaar van zijn leven die hij sleet op zijn ranch in Texas, waar hij zijn haar liet groeien en zich steeds milder uitliet over de rebellerende jeugd.

Robert Caro zelf is nu 75, en de meeste van zijn bronnen zijn overleden. Zijn The years of Lyndon Johnson is behalve een biografie ook een unieke kroniek van de machinaties, geldstromen en machtsstrijd in Washington. Alleen al daarom zou iedereen die geïnteresseerd is in de Amerikaanse geschiedenis, vurig moeten hopen dat Caro zijn project tot een einde zal kunnen brengen.