Steeds weer nieuw

Het is natuurlijk nogal oubollig om te zingen over de lente – dat je er zo van geniet, dat de vogeltjes zo ijverig hun jongen voeren, dat ik zo mooi een zwartkop zag zitten, slank en sierlijk met zijn zwarte petje op, en dan verder lekker lang doorzagen over alles wat zo snel opschiet, zo groen is, elke dag ánders groen is, hoe je de zon de eerste keer op je huid voelt en dat het leven buiten zo voorbeeldig staat te popelen.

Je krijgt er nooit genoeg van, zei een vriendin, en dat dit wel opmerkelijk is. Er zijn genoeg dingen die een mens op den duur niet meer zo geweldig vermogen te interesseren, of waarvoor je echt moeite moet doen, maar voor de lente hoef je geen moeite te doen. Die treft je gewoon – behalve natuurlijk als je niet naar buiten gaat, maar gewoon binnen op je kamer blijft zitten, of niets ziend van werk naar huis racet, over snelwegen die erin slagen je geen enkel zicht op enige natuur te geven, of als je zonder ergens op te letten je door de stad beweegt, de lente niet meer dan een decor, zichtbaar gemaakt door mensen op terrassen en in ineens heel blote kleding.

Je moet er dus eigenlijk wel wat voor doen. Je moet willen zien; je open stellen.

In het interview dat ik vorige week met schrijver Bernlef had, sprak hij op een gegeven moment over de behoefte aan het nieuwe in de kunst en vooral in de muziek – hoe een luisteraar vooral wordt getroffen door iets wat hij niet kent en hoe raadselachtig het is dat je sommige stukken steeds weer niet kent, alsof ze nieuw voor je blijven. Door dit ‘nieuwe’ blijf je zelf ook ‘nieuw’. Dit is zo’n beetje hetzelfde als in leven blijven.

Dat is misschien wel precies wat we in de kunst zoeken, al is het niet het enige: het gevoel in leven te zijn. Iets wat je treft en bezig houdt geeft deze sensatie. Ik besta. Het leven is de moeite waard.

Muziek kan dit op een andere, directere manier dan taal, al is er vaak genoeg aanleiding – nu ja, voor wie ervan houdt – om een gedicht op te zoeken. Steeds weer kun je worden getroffen door formuleringen.

Toch is er meer dan formuleringen. Achter een gedicht of een verhaal zit ook een wereld – niet alleen de denkwereld van de schrijver, maar ook een heel universum van wat eerder is geschreven en wat mee resoneert.

In het tijdschrift Liter, dat zich vrijmoedig een ‘christelijk literair tijdschrift’ noemt (en wellicht maakt dat christelijke dat men er niet bang is voor exegese), las ik een stuk van neerlandicus Jaap Goedegebuure over het lange gedicht De vlek van Willem Jan Otten. Goedegebuure legt verbanden, zoekt verwijzingen uit en probeert na te gaan wat het betekent als een personage Abel heet en wat de band is van dit gedicht met T.S. Eliot of met Martinus Nijhoff. Dit is geen snobisme of namedropping. Dat is iets heel anders. Het is zoeken naar betekenis.

In Ottens De vlek – er is in deze krant al vaker over geschreven – is een longfoto verwisseld. Deze vergissing blijkt na korte tijd. Degene die eerst ten dode leek opgeschreven, kan doorleven. Een ander zal sterven in zijn plaats.

‘In zijn plaats’ is natuurlijk niet letterlijk zo, maar hier wordt het wel letterlijk genomen.

Goedegebuure brengt de vorm van het gedicht in verband met de Griekse epen. Hierdoor dacht ik zelf eventjes aan een andere Griekse mythe – die van Admetos. Hij had van de god Apollo de gunst gekregen dat hij niet zou hoeven sterven als de dood hem zou komen halen, als hij tenminste iemand bereid zou vinden het in zijn plaats te doen. De dood wordt Admetos al vroeg aangezegd. Natuurlijk is er niemand die in zijn plaats wil, al verzoekt hij zijn ouders nogal onbeschaamd toe te geven dat hun leven wel lang genoeg heeft geduurd. Ze willen niet dood. Het koor in Euripides’ tragedie Alkestis heeft hiervoor geen goed woord over: „hardvochtige mensen met grijzend haar”. Toch sterft Admetos niet. Voordat hij het kan verhinderen, offert zich degene op met wie hij nu juist had willen blijven leven: zijn vrouw Alkestis.

Wat doet het ertoe dat ik hieraan dacht?

Alles. Zo denkende weef je op een of andere manier een betekenisvol web – een van de vele mogelijke. Dan voel je hoe onmetelijk de rijkdom is van de verhalen, de geschiedenis en de cultuur waarin je het geluk hebt te zijn opgegroeid. Juist door veel verbanden te (kunnen) leggen, maak je een kunstwerk steeds weer nieuw en jezelf tot het uiterste levend – alsof het steeds lente is.

Als Alkestis stervende is, vertelt een bediende: Maar toch, al ademt ze nauwelijks meer, wil/ ze naar de stralen van de zon kijken.