Poes, pak die nerveuze godvruchtige vogeltjes

Talent, stijl, flonkering. Je kan het aflezen aan de net verschenen 450 pagina’s van Fritzi Harmsen van Beek. Dichten als volkomen natuurlijk spreken in een volkomen onnatuurlijke taal.

F. Harmsen van Beek: In goed en kwaad. Verzameld werk. De Bezige Bij, 512 blz. € 29,90

Ik heb altijd een zwak gehad voor het gedicht dat Fritzi Harmsen van Beek (1927-2009) schreef voor haar neerslachtige poes, ‘ter vertroosting bij het overlijden van zijn gebroed’. Het baasje hurkt neer bij het kraambed, annex sterfbed, en begint te praten. De rollen zijn omgedraaid. Het baasje is een bediende geworden. En de poes is geen gewone poes meer, maar de ‘Hemelse mevrouw Ping’, de ‘vrome goedertierende mevrouw’ die met veel omzichtigheid en eerbied benaderd moet worden. ‘Is U de zachte nacht bevallen, hebben de on / deugende, geheimzinnige planten naar behoren / gegeurd en zijn hopelijk geen van uw overige / zuigelingen aan de builenpest bezweken?’

De poes krijgt trekken van een hogepriesteres of godin – tot wie alleen op hoge toon, als in een Homerisch epos kan worden gesproken. Zij is de ‘radarbesnorde, / dubbelgepuntmutste, mevrouwogige poezin.’ De dichteres stelt zichzelf voor als ‘die intieme huisgenoot, die / zeer bekende schenker ook van lauwe melk’, dat grote dier dat daar maar rondloopt ‘op zijn verlengde achterpoten.’

Alles in dit gedicht is perfect getroffen. Het is het volkomen natuurlijk spreken in een volkomen onnatuurlijke taal. Het is het vermengen van kleine alledaagse aanleiding en hoge toon. Het is het snelle wisselen tussen ouderwets formeel spreken, Homerustaal en alledaagse wendingen (‘ja verdomd’, ‘nietwaar’). En er is de merkwaardige mengeling van perspectieven. Het is kinderlijk om een huisdier als een koningin toe te spreken. Het is dichterlijk om zo in de lyrische aandoening op te gaan: ‘O halmstaartige voortreffelijke, / kijk, zwijgzame zwakzinnige allerliefste.’

Maar het is intussen ook een heel ironisch en zelfs wreed gedicht. Het ene dierlijke leed weegt blijkbaar zwaarder dan het andere. De neerslachtige poes wordt opgemonterd door haar te wijzen op ‘al die interessante nerveuze godvruchtige vogeltjes’ in de bomen rondom, ‘allemaal allemaal voor de brave poes.’

Je moet de sombere patiënt altijd uitzicht blijven bieden, en dat doet de behulpzame dichteres dan ook – door de patiënt aan het slot nog eens aanmoedigend te wijzen op een klein grijs dier dat daar loopt, ‘een belangwekkend, héél klein maar / bijzonder lekker beestje tussen de kiezelstenen // onder de hemelsblauwe hortensia.’ En ook dat zijn weer regels die helemaal goed zijn, zonder dat ik precies kan aanwijzen waar hem dat in zit. Ik denk dat er heel veel in het woord ‘belangwekkend’ schuilt – maar leg dat maar eens uit.

Toon

‘Goedemorgen? Hemelse mevrouw Ping’ is een klassiek gedicht geworden. Het is in alle bloemlezingen te vinden. Dat is Harmsen van Beek met nog een paar gedichten overkomen. ‘Interpretatie van het uitzicht’ is er nog zo een: Het is de beschrijving van de grote tuin, en van een oude man die daar altijd (‘gedurig’) rondloopt, ‘zwart als een krent in grauw gebak van / licht en landschap.’

Mooi gezegd. Hij heet te zijn, met een onvergetelijke uitdrukking, ‘een man van ziekte’. Dat is een van de momenten waarop je aan Gerard Reve moet denken, de Reve van de reisbrieven uit Op weg naar het einde (1963) en Nader tot U (1966). Eenzelfde afwisseling van scherpe beelden, eigenzinnig woordgebruik en dan een praatpassage zonder al te veel dichterlijke vormgeving.

In ‘Interpretatie van het uitzicht’ richt het algehele gevoel van somberheid en dreiging zich eerst op die oude man daar in de verte, en dan op alle oude mensen die maar beter kunnen worden afgevoerd (met ‘de mooie rode autobus’, ‘naar jachtvelden van eeuwig asfalt’), en keert dan weer terug naar het gevoel van onveiligheid dat aan het gedicht ten grondslag ligt. ‘Want al mijn vijvers liggen dicht, mijn paadjes raken / zeer vertrapt, de schuwe schepselen hebben mijn struikgewas / verlaten, mijn heerlijkheid ligt braak.’ Je hoeft geen psycholoog te zijn om te zien dat hier niet zozeer een uitzicht wordt beschreven, als wel een gevoel, een stemming, een zielstoestand.

Alles in zo’n gedicht is goed. En aangrijpend. En lichtjes absurd. Poëzie moet je het misschien niet noemen. Dichterlijke ingrediënten als rijm, ritme en regelmaat ontbreken. De ‘gedichten’ van Harmsen van Beek zijn vooral vertellingen, brieven, een grillige gedachtenstroom, met veel eigenaardigheden op het punt van spelling, interpunctie, regelafbreking en hoofdlettergebruik. Er is altijd ruimte voor een riedel van de straat (‘Ach, ongeneeslijk is het waarschijnlijk toch’) en er kan altijd een oude predikerswijsheid opduiken: ‘We gaan voort maar wat ons te wachten staat, is zo zeker als waar niets te / zien valt.’

Een onweerstaanbaar mengsel. Een heel nieuwe vorm van dichten. Een fenomeen. Het was een regelrechte sensatie, toen deze gedichten begonnen te verschijnen in Tirade, in de loop van 1958, en toen ze voor het eerst gebundeld werden, in Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten (1965). Een Homerische vertroosting voor een poes, een tuin als zielenbeeld – van zulke gedichten zou je er veel meer willen lezen.

De waarheid is dat er niet veel meer zijn. Fritzi Harmsen van Beek was een groot talent, maar ook een talent dat vanaf het begin vastliep in zichzelf. Zinnen, veel te lange zinnen met wonderlijke sprongen en opstoppingen: zinnen als doolhoven. Het klinkt vaak prachtig bijbels en bezwerend, maar het is vaak onbegrijpelijk. Haar poëzie bevindt zich voortdurend op de rand van de waanzin, of de radeloosheid, of de ineenstorting. Voorbeelden genoeg. ‘Langzaam toeaan raak ook ik verblekender / en onleesbaar dus voor enig mezelf.’

Met moeite wist men haar tijdens haar leven de kopij voor twee dunne bundels te ontfutselen: de 13 gedichten voor Geachte Muizenpoot (1965) en de 19 gedichten voor Kus of ik schrijf (1975). Eindredactie was blijkbaar verboden: veel van die gedichten zien eruit alsof er na het schrijven niet meer naar is omgezien. Daartussendoor schreef ze nog een heel klein verhalenbundeltje (Wat knaagt?, 1968) en een iets minder kleine verhalenbundel (Neerbraak, 1969). Klein, kriebelig, wispelturig proza. En dan was er nog een klein getekend verhaal over de ontmoeting tussen twee vogels (Gewone Piet & Andere Piet, 1969) en een boekje met korte stukjes over kippen bij kippentekeningen van Paul de Lussanet (Hoenderlust, 1972). Dat was alles. Na 1975 verscheen er niets meer en na 1990 mocht er ook niets meer herdrukt worden.

Nu, drie jaar na haar dood, verschijnt al dat werk (zo’n 300 pagina’s) voor het eerst in één boek, aangevuld met al het verspreid gepubliceerde werk (zo’n 150 pagina’s). Het gaat dan vooral om column-achtige stukjes en verhaaltjes en tentoonstellingsrecensies die ze in 1960 en 1961 voor Vrij Nederland schreef.

Het is niet erg opzienbarend allemaal. Wie zou niet bij een ontmoeting tussen Harmsen van Beek en Reve willen zijn? Maar het verslag van haar ‘gesprekje’ met Reve (juni 1960, Vrij Nederland) is studentikoos, op het flauwe af. Het is duidelijk dat zij ook als journalist geen grote gehelen kon overzien. Als het inhoudelijk al eens een keer interessant dreigt te worden, noteert ze vlug: ‘(R.R. vragen of ze hierover niet eens kan schrijven in V.N.)’.

Dit boek laat eigenlijk vooral een groot verlies zien. Wat een talent, wat een stijl, wat een flonkering – maar wat heeft het weinig opgeleverd. Een paar onvergetelijke gedichten, een paar aardige stukjes – en verder vooral veel losse regels. ‘Zinnekuur’, een nooit gebundeld gedicht uit 1976, is er een voorbeeld van – als de bouwval van haar huis Jagtlust bezongen wordt, tevens de bouwval van haar eigen leven: “waar de slangtong / zwart in stilte splijt zonder een fluister, bloeit / mijn huis, nachtschade, naar ontluistering.’

Ik denk dat het die onnavolgbare orakeltoon is die van haar zal overblijven. Geen geheel, alleen maar detailschittering. En daaronder schuilt, van de eerste tot en met de laatste krabbel, een grote zwaarmoedigheid. ‘De gruwelijke afgrondmond van langzaamheid / heeft alles opgegeten.’