Oorlog op Texel (2)

We fietsten Den Burg, Texels grootste dorp, binnen en zagen al snel aan onze linkerhand een begraafplaats liggen. Er bleken veel graven van geallieerde militairen te liggen, onder meer van mijn naamgenoot (geen familie) Aleck Abrahams, 22-jarig sergeant van de Royal Air Force. Het is chauvinistisch van mij om alleen hem te noemen, maar dit is de laatste kans om hem uit de vergetelheid te tillen – hij verdient het.

Wat vooral de aandacht trok, was het beeld ‘De Goede Herder’ van Mari Andriessen en Theo Mulder: een bronzen herder die zich ontfermt over een onschuldig lam in nood. Aan weerszijden van het beeld waren gedenkplaten opgesteld met de namen van 142 gesneuvelde Texelse burgers; voor het grootste deel geen verzetsmensen, maar gewone burgers die bij de oorlogshandelingen omkwamen.

De bijbeltekst op het voetstuk luidde: „Al ging ik ook in het dal van de schaduw des doods, ik zou geen kwaad vrezen want Gij zijt mijn herder.’’

Toch was er genoeg kwaad te vrezen op Texel in de oorlog. De ongeveer honderd Texelaars die omkwamen bij de opstand van de Georgische militairen tegen hun Duitse bevelhebber hadden nergens om gevraagd. Zij vielen ten prooi aan een conflict waar zij buiten stonden. De Georgiërs vreesden dat zij naar het Oostfront zouden worden gestuurd.

In een van de teksten op de begraafplaats stuitte ik op de naam van Rijk de Vries, een NSB’er die in 1942 benoemd werd tot burgemeester van Texel. In deze krant schreef Andreas Kouwenhoven, aan de vooravond van de Dodenherdenking, over hem en zijn zoon Ewout, die in de Texelse kerk mocht spreken – dit tot verontwaardiging van veel Texelaars.

Hoe was dat eigenlijk afgelopen, vroeg ik me af. Op de leestafel van een restaurant vond ik een nummer van de Texelse Courant uit die dagen. De Vries had in zijn toespraak verteld over de vernederingen die hij na de oorlog als kind had moeten ondergaan, zelfs door leraren. Zijn vader had hij na de oorlog nauwelijks meer gezien – de man verliet zijn gezin en verdween naar Zweden. Zelf vertrok Ewout als jonge man naar de Verenigde Staten, waar hij een succesvolle ondernemer werd.

„De toespraak vond ik moeilijk’’, vertelde hij aan de Texelse Courant. „Maar direct na afloop in de kerk kwamen zeker tien mensen naar me toe om te feliciteren en op de begraafplaats gebeurde dat nog eens.’’

Dezelfde begraafplaats met de vermelding van de functie van zijn vader. Een neutrale vermelding, maar met een o zo bittere lading.

Die dag van de herdenking maakte Ewout in Den Burg voor het eerst kennis met Frans Pieterse. De geschiedenis die hen verbindt, is te mooi om weg te laten. Ewout en Frans werden in dezelfde meimaand van 1942 geboren. Ewouts moeder kon haar kind niet voldoende zogen, waarna de dokter aan Aafje Pieterse-Borgman, de moeder van Frans, vroeg of zij met haar melk wilde bijspringen. Aafje was een Joodse vrouw. Zij stemde toe met de woorden: „Deer ken dot kiend toch niks an doen, dot sien vader een NSB’er is?’’

Drie keer eerder had Ewout als Amerikaan Texel bezocht. Hij reed er dan wat rond in de vurige hoop dat hij niet herkend zou worden, „want ik lijk erg op mijn vader”. Met zijn toespraak bij de Dodenherdenking hoopte hij de ban doorbroken te hebben. „Ik heb het gevoel dat ik me niet meer hoef te schamen”, vertelde hij de Texelse Courant, „en gewoon kan binnenlopen en zeggen: hé, ik ben Ewout.’’

Dág, Ewout, het ga je goed.