Kijken, kijken en wegkijken

De nieuwe roman van Arnon Grunberg lijkt vooral knap en keurig. Tot je een glimp van de bunker te zien krijgt.

Arjen Fortuin

Literair redacteur

Verwarring in Bagdad. ‘U bent de architect’, vraagt een van zijn beveiligers aan Samarendra Ambani. Nee, corrigeert de hoofdpersoon van De man zonder ziekte. ‘Niet dé architect. Eén architect.’

Samarendra, die zijn naam aan zijn Indiase vader dankt, is een ambitieuze Zwitserse architect, die een van de drie finalisten meent te zijn in de strijd om het ontwerp van een nieuw operagebouw in Bagdad. Opdrachtgever is het World Wide Design Consortium, waar Hamid Shakir Mahmoud de touwtjes in handen heeft: een rijke balling die iets wil teruggeven aan zijn vaderland: ‘Als wij Puccini naar Bagdad hebben gebracht, weten we zeker dat het nieuwe Midden-Oosten meer is dan een droom.’

Samarendra verwacht een mooie ontvangst in Bagdad: ‘Voor zover hij uit de krant had begrepen was het ergste daar nu wel achter de rug.’ Hij is vervuld van idealen, die overigens volledig architectonisch van aard zijn: ‘moeiteloos verplaatste hij zich in al zijn opdrachtgevers’. Hij leeft voor zijn ontwerpen en voor de verzorging van zijn gehandicapte zuster Aida. Zijn vriendin Nina komt op de derde plaats, soms denkt hij dat hij niet genoeg van haar houdt: ‘Zoals een sjaal zoek is, zo is Sams hartstocht soms zoek.’

Zo veel naïeve, conformistische karakterloosheid – dat moet worden bestraft, zeker in een boek van Grunberg. Samarendra Ambani ontkomt niet: hij krijgt ongenadig hard op zijn donder. Het begint met hagedissen op zijn kamer in Bagdad, internet dat niet werkt, lawaai in het belendende vertrek. Dan blijken zijn kleren gestolen en heeft Sam, hygiënisch als een echte Zwitser, geen andere keus dan zich te hullen in de smoezelige outfit van een Irakees.

Het is niet zijn laatste gedaanteverwisseling: Grunberg sleept hem zonder omhaal de wereld van Kafka binnen. Iemand moet Samarendra hebben belasterd, want hij wordt gevangengenomen zonder dat hij weet wat hij heeft misdaan. Niet veel later ligt hij naakt in een cel, zijn handen op de rug gebonden, hulpeloos als een insect. Soms kan hij met zijn mond wat van de voor hem op de grond gegooide erwten oplikken. Precies zoals Gregor Samsa moest eten nadat hij in Die Verwandlung in een reusachtig ongedierte was veranderd. Met Samsa heeft Ambani ook een zekere traagheid van begrip gemeen. Zoals Samsa na zijn noodlottige metamorfose vooral bezorgd was over welke trein naar zijn werk hij nog kon halen, blijft Sam zich merkwaardig lang vragen stellen over de kwaliteit van het openbaar vervoer in Irak, met het oog op zijn terugkeer. Intussen verzamelen zijn bewakers zich op gezette tijden om hem heen en plassen ze hem onder.

Een kortschrijver is Grunberg nooit geweest. Dat leek ook lang de voornaamste zwakte van zijn schrijverschap. Aan elk boek zaten wel wat rafelrandjes, stukken die je geduld op de proef stelden. Het zoveelste hoerenbezoek in Blauwe maandagen, weer een zielloos gesprek in Figuranten, de eindeloze tocht door Namibië in Tirza – Grunberg neigt naar een oeverloosheid waar je je soms doorheen moet werken.

Maar een schrijver wordt ouder en ervarener en zijn techniek wordt steeds volmaakter. Hij laat beter zien waar het hem met zijn werk om te doen is en zo nadert hij de perfectie, die van de weeromstuit voorspelbaar kan worden. Op Huid en haar, Grunbergs vorige roman, was eigenlijk niets aan te merken – of het moest precies dat zijn: dat er niets op aan te merken viel.

Iets dergelijks lijkt in eerste instantie in versterkte vorm voor De man zonder ziekte te gelden: hier ligt een in alle facetten voorbeeldig boek. Snel, compact, geestig en razend spannend. De schrijver laat zien wat hij kan: van akelige scènes in Bagdad tot de onthechtheid van Samarendra als hij getraumatiseerd en met een scheve neus, terugkeert naar Zwitserland.

Eenmaal terug wordt Samarendra gevraagd een bibliotheek te bouwen in Dubai, voor alle boeken van de wereld. En of er een bunker onder kan. Eenmaal in Dubai krijgt Sam, die veel werk maakt van de bibliotheek, de stellige indruk dat de interesse van zijn opdrachtgevers vooral uitgaat naar de bunker.

De parallellie tussen de twee bezoeken aan het Midden-Oosten is zo evident dat er voor de lezer maar twee mogelijkheden overblijven: Dubai wordt de reis die voor Sam alles goed zal maken, of het wordt zijn ondergang. Zonder de hele afloop aan de grote klok te hangen: bij aankomst treft hij een veelheid aan kleine kakkerlakken aan in zijn kamer.

Die terugkerende motieven vestigen de aandacht op de beheersing van de vakman Grunberg. Hier is een schrijver aan het werk die alle touwtjes strak in handen heeft – of om in de beeldspraak van de roman te blijven: een architect die zijn ontwerp tot in de kleinste hoekjes kent. Net als Samarendra Ambani, die op een verloren moment in Bagdad besluit een van de herentoiletten in het ontwerp van zijn operagebouw te verplaatsen. Heel knap, het gedrag van een professional, van een workaholic ook. Maar de zwakte van Ambani is juist wat hij zelf ‘liefdeloosheid’ noemt: niet alleen de hartstocht voor zijn vriendin is een sjaal die soms zoek is, ook die voor zijn werk. ‘Hij kon de schoonheid van een constructie zien, de genialiteit van een ontwerp, maar de gebruikers zijn altijd abstract gebleven.’

Zo is De man zonder ziekte een roman waarvan je het knap vindt dat Grunberg in staat was hem te schrijven, maar waarvan je je lang afvraagt waarom hij hem wilde schrijven.

Die verwarring duurt tot een paar bladzijden voor het einde. Dan maakt hij plaats voor een heel andere, betere verwarring. Want uit een paar zinnetjes valt op te maken dat er méér aan de hand is met Sam. De man zonder ziekte blijkt precies zo in elkaar te zitten als het gebouw dat Sam in Dubai moet maken: boven een schitterende bibliotheek vol ornamenten en aardigheden met daaronder een bunker. En het gaat om de bunker. Daar bevindt zich het ware verhaal van Sam, waarin zijn onschuld ineens niet meer vanzelfsprekend is. Daar zie je vooral het werkelijke thema van de roman, die uiteindelijk draait om wat we zien en wat we niet zien. Preciezer: wanneer we kijken en wanneer we wegkijken.

Daarom gaat het wanneer Samarendra Ambani, wel het lawaai hoort in de kamer naast de zijne, maar niet ontdekt wat de reden is (kijken en wegkijken). Wanneer hij wel constateert dat men hem voor ‘de architect’ houdt en niet voor ‘een architect’, maar zich niet realiseert hoe onheilspellend dat verschil is (kijken en wegkijken). Wanneer hij wel zijn paspoort afgeeft, maar niet oplet of hij het terugkrijgt (kijken en wegkijken). En in de problemen komt.

Om kijken en wegkijken gaat het ook in een episode uit de werkelijkheid die een rol speelt in het boek: de dood van Mahmoud al Mahbou, een Hamasstrijder die twee jaar geleden in Dubai werd vermoord. Mahbou werd in zijn hotel gevolgd door een vijftiental agenten van de Mossad, die waren verkleed als toerist of tennisspeler. Hij zag het gevaar, of had het kunnen zien, maar keek op het beslissende moment weg. En stierf.

Het geldt ook voor de politieke realiteit achter De man zonder ziekte: die van het Midden-Oosten. Waar een westerling als Sam in Bagdad denkt ‘dat het ergste nu wel achter de rug is’; waar de Europeaan meent dat het in het kapitaalparadijs Dubai wel pluis is; waar wordt gemarteld in naam van de democratie; waar het Rode Kruis aan een naakte, vastgebonden gevangene de vraag stelt ‘Bent u goed behandeld?’

Wegkijken is de techniek die Grunberg in het hele verhaal hanteert. Hij laat de lezer zien wat er met Sam gebeurt, maar op de beslissende momenten verzwijgt hij een gebeurtenis of de gevolgen van een ontmoeting. Je hoort het lawaai in de kamer naast die van Sam, maar ver voordat je weet wat er aan de hand is, kijkt de schrijver alweer weg.

Daarmee is De man zonder ziekte het spiegelbeeld van Grunbergs vorige ‘oorlogsroman’, Onze oom (2008). In dat boek probeerde hij zo dicht mogelijk bij de waarheid van oorlog en geweld te komen, documentair schrijvend, waardoor het in literair opzicht een van zijn minst opwindende romans werd. Nu brengt hij je opnieuw vlakbij de waarheid, maar op het beslissende moment laat hij je de andere kant op kijken – met als resultaat een verbluffende roman.

Arnon Grunberg: De man zonder ziekte. Nijgh & Van Ditmar, 224 blz. € 17,50