Hoe democratie haar eigen bron dreigt te vergiftigen

Tzvetan Todorov: Les Ennemis Intimes de la Démocratie. Robert Laffont, 260 blz. € 22,70

Toen hij nog in communistisch Bulgarije woonde, snakte Tzvetan Todorov naar vrijheid. Hij greep de kans om in Frankrijk te studeren (in de jaren zestig) en verliet Parijs nooit meer. Nu beleeft hij, inmiddels gerenommeerd filosoof, het andere extreem: teveel vrijheid.

Dat de macht van de financiële sector te groot is geworden om te beteugelen, is in zijn ogen bijvoorbeeld resultaat van excessieve vrijheid: we verwachtten dat ze zichzelf konden reguleren en lieten ze te vrij.

Zo bedreigt de vrijheid de democratische maatschappij waar ze het product van is – en niemand die de klok meer kan terugdraaien.

Deze pijnlijke vaststelling staat centraal in Todorovs nieuwste boek Les Ennemis Intimes de la Democratie. Volgens hem is dit aantal ‘vijanden’ sinds de val van de Muur gegroeid, doordat de externe vijand wegviel. Fascisme en communisme werden verslagen, sommigen proberen Al-Qaeda, of de islam, nu tot externe vijand te verklaren. Todorov ziet daarin evenwel geen echte bedreiging.

Het is eerder andersom, zegt hij: wie valt wie nu aan, in Irak, Afghanistan, Libië? Todorov ontwaart drie interne vijanden in de westerse democratie. Ten eerste de doorgeschoten vrijheid, die het gelijkheidsbeginsel in zijn ogen overvleugelt, en maakt dat mensen beledigd mogen worden. De tweede interne vijand is onze hubris, overmoed, die maakt dat wij, democraten, anderen (Irak, Afghanistan, Libië) de oorlog verklaren om van hen óók democraten te maken. Dit is natuurlijk een regelrechte contradictie. Wie zegt dat deze landen ons systeem willen? Wie zijn wij om dat te beslissen?

Todorov herkent in onze rechtvaardiging van deze oorlogen hetzelfde messianisme dat ook in het fascisme en communisme zat, gevoed door extreem vooruitgangsdenken zoals in de Verlichting: het goede is ‘maakbaar’, dus heb je de morele plicht daaraan te werken – als het niet goedschiks kan, dan kwaadschiks.’

De derde interne vijand is volgens hem het populisme. Hier versterken individualisering van de samenleving en globalisering elkaar. Nationale politici hebben op veel problemen geen greep meer, omdat ze te groot zijn geworden: de financiële crisis, immigratie, het milieu, etc. Maar de mondige, verwende mens wenst onmiddellijke oplossingen. Politici in diverse Europese landen – Todorov noemt Wilders – paaien hen met simpele, korte termijn oplossingen, die ze niet kunnen waarmaken zonder de bestaande orde kapot te maken, waaronder de VN, de EU en andere na-oorlogse samenwerkingsorganen, opgericht om oorlog te voorkomen. Populistische politici, schrijft hij, zijn perverse uitwassen van een democratie waarin iedereen vrijuit zijn zegje kan doen: ‘Vrijheid van meningsuiting hoort relatief te zijn. Zonder context wordt ze een wapen.’

Zo vergiftigt de democratie haar eigen bron. Gelijke kansen worden vertrapt, het geld regeert, verliezers moeten zichzelf zien te redden, collectieve solidariteit wordt uitgehold. Stigmatiseren en beledigen van mensen met andere religie of nationaliteit wordt niet meer als probleem gezien, maar als oplossing.

Is er een weg terug naar de bron? Todorov pleit voor rede en verdraagzaamheid. Maar juist uit de mond van deze man, die sommige dingen die hij nu ziet eerder heeft gezien, klinkt dat helaas nogal zwakjes.