Glibberen in de schaduw

Edmund White Foto Frank Mullaney/Bloomberg

Edmund White: Jack Holmes and His Friend. Bloomsbury, 394 blz. € 26,–

In psychologische romans is het lijf zelden van belang. Het lichaam is slechts voertuig voor een tobbend brein; iets waarmee de geest, op zijn best, half in oorlog verkeert. Bij erotische lectuur is het juist andersom: het lichaam als een gulzig beest dat weinig substantiële gedachten herbergt. Jack Holmes and His Friend, de nieuwe roman van Edmund White, heft die illusie van gescheiden werelden op. Geest en lichaam, denken en doen, intellect en instinct, ze vloeien op natuurlijke wijze samen.

Jack Holmes is een gesloten student uit een excentrieke familie uit de Amerikaanse Midwest. Hij is belezen en verfijnd, maar zich tegelijk zeer bewust van zijn lichaam – niet in het minst zijn immense geslachtsorgaan –, én het lichaam van anderen. Het lange, onbehaarde lijf van een huisgenoot, ‘bleek als deeg [...] zijn ribben zo zichtbaar als handen rond een mok.’ Of hijzelf: de brede schouders van een roeier, de nauwe heupen van een stierenvechter.

De afstand die hij ervaart tot zijn seksuele geaardheid – Jack is halfhartig heteroseksueel – verdwijnt wanneer hij verhuist naar het New York van begin jaren zestig, een stad die ‘voelde als een roestende maar nog steeds operationele fabriek, gebouwd door een reus’. Hier lopen de society-figuren en bohémiens door elkaar, met dikke en lege portemonnees, maar altijd rijk aan hoogdravende opinies. Kortom: de wereld die White al zo krachtig tot leven wekte in zijn memoires City Boy: My Life in New York During the 1960s and ‘70s (2009).

Jack krijgt een baan bij kunstblad Northern Review en is vaak te vinden bij twee voormalige vrouwelijke huisgenoten. Via hen leert hij Will Wright kennen, de vriend uit de titel – een aspirant-romancier uit een gegoede familie en een toekomstige collega. Ze worden vrienden, maar het is een vriendschap waarin Jack op achterstand staat. Niet alleen door standsverschillen, maar vooral door de heimelijke liefde die Jack opvat voor de heteroseksuele Will.

Terwijl hij zijn gevoelens voor Will cultiveert, stort Jack zich voor afleiding in de homoscene van New York. Aanvankelijk staat hij ambigu tegenover homoseksualiteit. Een wildvreemde man oppikken is makkelijk, bevredigend en potentieel verslavend, ‘maar met een vrouw kon je een relatie opbouwen in het volle licht, terwijl dit homo-gebeuren maar een beetje in de schaduw rondglibberde’.

Na verloop van tijd nemen de reserves echter af, en omarmt Jack het libertijnse leven. Niet lang daarna ontstaat een breuk in de vriendschap met Will – deels doordat Will wél een relatie opbouwt met een vrouw, deels doordat hij een roman publiceert die hem ontmaskert als talentloze stuntel. Jack en Will zullen elkaar negen jaar niet zien of spreken.

In zijn lange en rijke carrière schreef Edmund White al veel romans en essays waarin zijn seksuele geaardheid een prominente rol speelde. Hij brak door met A Boy’s Own Story (1982), over een 15-jarige jongen die in het puriteinse Amerika van de jaren vijftig een seksuele relatie krijgt met een 12-jarig vriendje. Maar hij werkte ook mee aan The Joy of Gay Sex (1977), een gids die homo’s moest helpen aan een ‘erotisch, emotioneel en sociaal bevredigende homoseksuele levensstijl’.

In Loss Within Loss (2001) stond hij stil bij het werk van kunstenaars die tijdens de grote AIDS-epidemie van de jaren tachtig en negentig het leven lieten, en zijn memoires zijn niet alleen een ‘wie is wie’, maar ook een ‘wie deed het met wie’ van New York. Toch is Jack Holmes and His Friend niet primair homo-literatuur. De bijkans homofobe Will wordt door White even scherp neergezet, met name in het tweede deel, waarin we in zijn gesloten ziel mogen kijken.

Na de eerste lange pauze in de vriendschap is er veel veranderd. Will zit vast in een bloedeloos huwelijk met de chique Alexandra, forenst naar New York en heeft in zijn carrière een onbevredigend plafond bereikt. Jack is doorgegroeid naar Newsweek en beweegt zich, hoewel nog steeds emotioneel gesloten, met flair door de society van Manhattan.

De machtsbalans is verschoven; de ambiguïteit en vertwijfeling zitten nu bij Will. Hoewel nog steeds afkerig van ‘cock and balls play’, hunkert hij naar een vergelijkbaar vrijer leven. Een homoseksueel, meent hij, is ‘niet deel van dat akelige systeem. Hij is niet de zoveelste door het kutje getemde kerkganger die geleerd heeft zijn grote en zijn kleine hoofd koel te houden. Iedereen denkt dat homo’s watjes en moederskindjes zijn, maar ze zijn de enige mensen die hun seksualiteit durven verkiezen boven de gemakken van huis en gezin.’

Twee mannen, twee erotische levens. Uiteindelijk is het Jack die soepel met de tijd mee vloeit. Zijn leven loopt vrijwel synchroon met de verandering die de homoscene van New York doormaakt: van clandestiene en ondergronds, naar publiek en levenslustig en, uiteindelijk, voorzichtig en ernstig.

Will worstelt, en Jack weet het. De man waar hij hopeloos verliefd op was, blijkt een ‘levensamateur’.

In Jack Holmes and His Friend toont White zich andermaal een sublieme stilist, maar ook een scherpzinnig antropoloog en geschiedschrijver. Toch is de roman geen onverdeeld succes. Zijn voornaamste thema, de invloed die lichaam en lust hebben op mannenvriendschap, verklaart de voornaamste zwakte van het boek: de relatief fletse tekening van de vrouwelijke karakters.

White is er weleens van beschuldigd masturbatieliteratuur te schrijven, waarbij de verkapte suggestie is dat de obsessie met seks en lichamelijkheid niet los kan worden gezien van zijn geaardheid. Het kan natuurlijk goed zijn dat homo’s openlijker lichamelijk zijn. Maar in het innerlijk leven, tijdens clandestiene ontmoetingen of stiekeme sessies achter de laptop, is de hetero even lijfelijk. Dat maakt White nu tastbaar in een roman die zowel wijs als dierlijk is.