Elk afgesneden oor doet ertoe

Historicus Paul Preston haalt veel nieuwe, vaak gruwelijke informatie boven tafel over de Spaanse Burgeroorlog. Onderzoek is niet eenvoudig, want veel materiaal is vernietigd. Maar waarom gebruikt hij de term Holocaust, als hij de moord op Spaanse burgers en de genocide op Europese joden niet wil vergelijken?

Republikeinen aan het front bij Córdoba, in 1936 Foto Robert Capa / Magnum

Paul Preston: The Spanish Holocaust. Inquisition and Extermination in Twentieth Century Spain. Harper Press, 700 blz. € 33,50

De Spaanse rechter Balthasar Gerzon stond onlangs in de beklaagdenbank. Zijn aankondiging een gerechtelijk onderzoek te willen openen naar de wandaden gepleegd tijdens de Spaanse Burgeroorlog (1936-39) leverde hem woedende reacties en een aanklacht wegens machtsmisbruik op. Het Hooggerechtshof sprak hem in februari van die beschuldiging vrij, maar had hem al eerder uit zijn ambt gezet omdat hij een illegale opdracht tot afluisteren zou hebben gegeven.

Paul Preston, emeritus hoogleraar aan de London School of Economics en auteur van biografieën over generaal Franco en koning Juan Carlos, beschrijft in het nawoord van The Spanish Holocaust hoe Spanje lange tijd zijn pijnlijke verleden heeft verdrongen. Pas de laatste jaren zijn er pogingen om de geforceerde zwijgzaamheid te doorbreken, maar ook die blijven groot verzet oproepen.

Tijdens het dictatoriale regime van Franco, die de Burgeroorlog won en tot zijn dood in 1975 bleef heersen, werd de bevolking gehersenspoeld met de officiële waarheid: het leger was in 1936 de strijd tegen de marxistische Republiek begonnen om de christelijke beschaving in Spanje te redden. Alleen over slachtoffers aan franquistische zijde mocht worden gesproken. In 1977 werd een algehele amnestie afgekondigd om te voorkomen dat de prille democratie zou worden ontwricht door een conflict over de vraag wie verantwoordelijk was voor de massaslachting van de jaren dertig. Er is nooit iemand gestraft, hoeveel slachtoffers er precies zijn gevallen bleef onbekend.

Spanish Holocaust is behalve een imposante geschiedenis van de Spaanse Burgeroorlog ook een bijdrage aan de openheid die vooral door de kleinkinderen van Franco’s slachtoffers wordt geëist. Preston verschaft duidelijkheid over aantallen en geeft onomwonden antwoord op de schuldvraag. Dat is een indrukwekkende prestatie, want historisch onderzoek wordt belemmerd doordat veel documentatie moedwillig is vernietigd, zoals het archief van Franco’s Falangistische partij.

Niettemin hebben Spaanse historici de afgelopen decennia met lokaal onderzoek heel veel boven water gebracht. Preston schenkt ruime aandacht aan deze deelstudies. Zijn hoofdconclusie luidt dat het geweld en de wandaden vooral van rechts kwamen. Volgens zijn zorgvuldige berekening eiste de Spaanse Burgeroorlog in totaal het leven van ongeveer 200.000 burgers (aan het militaire front viel nog eens eenzelfde aantal doden). Het opstandige leger van Franco, dat het initiatief nam tot de geweldsexplosie, slachtte 150.000 onschuldigen af. In het gebied dat door de Republiek werd gecontroleerd vielen 50.000 slachtoffers.

Clerus

Wat waren de oorzaken van de burgeroorlog? Preston kent aan de factor religie een minstens even grote betekenis toe als aan de sociaal-economische tegenstellingen. De eigendomsverhoudingen in Spanje waren in 1931, toen de dictatuur van Primo de Rivera werd afgelost door de tweede Republiek, achterlijk. Kleine boeren en landarbeiders stonden lijnrecht tegenover grootgrondbezitters. De centrumlinkse Republiek wilde met hervormingen de starre verhoudingen doorbreken, maar stuitte op de weerstand van landeigenaren die gesteund werden door leger en clerus.

De Republiek werd door dit trio weggezet als een revolutionaire garde die de oorlog had verklaard aan de rooms-katholieke kerk en die het communisme aan de macht wilde brengen. Deze religieus-ideologische frontmentaliteit werd door leden van de clerus in tal van pamfletten en boeken uitgewerkt tot een aanklacht tegen de samenzwering van Joden (die er in Spanje nauwelijks waren), vrijmetselaars en bolsjewieken.

De Republikeinse regering stelde de zaken van haar kant op scherp met een antiklerikale politiek die niet alleen religieuze symbolen uit scholen weerde, maar ook een verbod uitvaardigde op de erkenning van kerkelijke huwelijken. Religieuze begrafenissen werden alleen nog toegestaan indien de overledene specifieke instructies had achtergelaten.

Zoals ongeveer tegelijkertijd in de Duitse Weimarrepubliek gebeurde, werd in Spanje het centrum geplet door de flanken of gedwongen om extreme standpunten over te nemen. De polarisatie mondde in juli 1936 uit in de opstand van het leger tegen de Republiek. Volgens Preston hadden de militaire rebellen het vooropgezette plan voor een massamoord. Niet alleen het leidende kader van de Republiek, ook de kleine boeren werden het doelwit van grootscheeps geweld.

Het Afrikaanse leger van Franco gaf leiding aan de opstand. Het had voorheen huisgehouden in Marokko, waar systematisch dorpen waren gepacificeerd door de bevolking uit te roeien. Op dezelfde wijze gingen de militairen op het Spaanse platteland te werk. Preston laat zien hoe de bloeddorst ook greep kreeg op tegenstanders van Franco. De syndicalistische anarchisten van de CNT en de anti-stalinistische marxisten van de POUM openden de jacht op priesters. Volgens de luid verkondigde doelstelling van deze radicaal-linkse groeperingen mocht geen enkele kerk overeind blijven staan. Niettemin maakt Preston overtuigend duidelijk dat ter linkerzijde de doelbewuste poging ontbrak om met massale terreur zoveel mogelijk tegenstanders te vernietigen. CNT en POUM legden zelfs de eerste prioriteit bij de revolutie in eigen kring. Hun doelstelling om het ‘burgerlijke’ gezag van de Republikeinse regering te ondermijnen had voorrang boven de strijd tegen het rechtse rebellenleger.

Excessen

Preston biedt een compleet overzicht van de resultaten die het onderzoek van de laatste decennia heeft opgeleverd. Die verdienste heeft haar beperkingen. Deze auteur wil alles kwijt wat hij over de excessen op het spoor is gekomen. Geen liquidatie, marteling of verminking wordt overgeslagen. Ook het aantal afgesneden oren heeft zijn betrokken aandacht. Maar Preston is meer vorser dan schrijver. Zijn gedetailleerde catalogus van wreedheden is vaak zware leesstof.

Ook ontbeert zijn betoog nogal eens context. Vooral de internationale dimensie van de Spaanse Burgeroorlog komt er bekaaid af. Preston schrijft terloops dat Franco steun kreeg van Duitsland en Italië. Over het hoeveel en waarom lezen we vrijwel niets. De Spaanse Burgeroorlog speelde zich af in een Europees krachtenveld dat drastisch was veranderd sinds Mussolini in 1924 en Hitler in 1933 aan de macht waren gekomen. Met deze leiders sloot Franco een pact dat voor zijn uiteindelijke overwinning essentieel was.

Over de motieven van Groot-Brittannië en Frankrijk om de Republiek steun te onthouden en neutraal te blijven, weet Preston niet meer te melden dan dat de publieke opinie in Engeland verontwaardigd was over het geweld van de Republiek tegen de katholieke kerk. Ook is er weinig aandacht voor de geraffineerde politiek van Stalin, die Hitlers bondgenoot Franco de overwinning wilde ontzeggen maar evenmin belang had bij de zege van een Republiek die onder grote invloed van de ‘Trotskistische’ POUM stond. Preston heeft de kennelijke intentie om de Spaanse Burgeroorlog niet te reduceren tot onderdeel van het Europese conflict tussen fascisme en antifascisme. Maar zijn eenzijdige poging de Spaanse verantwoordelijkheid te beklemtonen leidt tot geïsoleerde geschiedschrijving.

Voor het internationale perspectief blijft daarom het klassieke The Spanish Civil War uit 1961 van Hugh Thomas onmisbaar. Ook valt op dat de ruwe schatting die deze auteur maakt van het aantal slachtoffers niet zo heel veel afwijkt van de cijfers die Preston geeft. Het boek van Thomas is een schitterend geschreven werk, waarvan talrijke bijgewerkte versies in Pelican-pocket zijn verschenen. Preston zwijgt het vrijwel dood: hij noemt het één keer in een verwijzende noot. Dit lijkt een geval van academische kleingeestigheid.

Er is nog iets mis met The Spanish Holocaust en dat is de titel. Preston toont onomstotelijk aan dat zich in Spanje tussen 1936 en 1939 een massamoord op burgers voltrok. Maar nog niet iedere massamoord (de 20ste eeuw kende er vele) is een Holocaust. Dit begrip (letterlijk: ‘brandoffer’) wordt sinds geruime tijd gebruikt om het unieke karakter te typeren dat de vernietiging van het Europese jodendom had: racistisch gemotiveerd, planmatig georganiseerd en als industrieel proces uitgevoerd.

Preston schrijft in zijn inleiding dat hij over de titel van zijn boek heeft geaarzeld. Hij zegt niet de bedoeling te hebben om een vergelijking te maken tussen de moord op Spaanse burgers en de liquidatie van de Europese joden, maar dat is wel precies het effect dat hij met deze titel bereikt. De term Holocaust verheldert niets omtrent de massaslachting tijdens de Spaanse Burgeroorlog, het gebruik ervan draagt alleen maar bij aan begripsinflatie. Bovendien heeft het boek van Preston deze gezochte titel niet nodig. Het ontleent zijn grote betekenis aan een grondige documentatie en zal wegens die kwaliteit in de Spaanse discussie ongetwijfeld grote invloed hebben.

De vraag is overigens wel of dit land, dat in een financiële crisis verkeert die gemakkelijk volgens het Griekse model kan uitmonden in politieke wanorde, ook nog eens een splijtende controverse over het verleden kan verdragen.