De Bovenbazen (17)

Heer Bommel deed wat hem gevraagd werd – en terwijl Tom Poes uitstapte en een gesprek met de bediende aanknoopte, begon hij in de papieren te bladeren die hij van aws gekregen had. ‘Dit zijn dus aandelen’, prevelde hij. ‘Wat moet ik daar nu mee? Het leven van een heer is vol beslommeringen; daar wordt meestal te licht over gedacht. Wat een zorgen! Nu heb ik dus alle ddt van de wereld…’

Hij liet deze gedachte een ogenblik inzinken en langzamerhand verhelderde een glimlach zijn trekken. ‘Alle ddt van de wereld’, hernam hij peinzend. ‘Toch wel aardig. Het is mooi en nuttig werk om schadelijke insecten te bestrijden. Ik zal in stilte heel veel goeds kunnen doen. Mijn taak is duidelijk; er gaat een frisse wind door de ddt waaien! De insecten zullen opkijken!’

Op dat moment werd hij gestoord doordat Tom Poes weer in de auto klom. ‘Rijden maar, heer Ollie’, sprak deze. ‘Ik weet al, wat ik weten wilde.’

‘Zo’, zei heer Bommel, ‘en wat wilde je dan wel weten, jonge vriend?’

‘Over onze weddenschap’, legde Tom Poes uit. ‘Die aws is een oliekoning en de bediende zei dat deze pomp van aws is!’

Heer Ollie schrok op.

‘Wat bedoel je?’ vroeg hij, terwijl hij zijn aandelen wegstak en gas gaf.

‘Ik bedoel’, hernam Tom Poes, ‘dat aws dus toch de baas van het tankstation is. Daar hebben we immers over gewed? Nu, die weddenschap heb ik dus toch gewonnen!’

De rest van het ritje was voor heer Bommel bedorven.