Wij willen les van slimme en coole leraren, niet van 'zesjes'

Finland en Singapore selecteren hun leraren streng. Wil Nederland beter onderwijs, dan moet het dit ook doen, aldus Caspar Horsch, Stephen Kho en Martin Speyart.

Nederland staat aan de vooravond van een groot tekort aan goede leraren. De onderwijssector is de meest vergrijsde sector van de Nederlandse economie. Dit betekent dat de komende jaren heel veel leraren het beroep zullen verruilen voor het (pre)pensioen. Een fundamentele keuze is nodig.

Dat lerarentekort dateert niet van vandaag of gisteren. Het is inmiddels bijna vijf jaar na de start van het Actieplan LeerKracht van Nederland, waarmee toenmalig minister Plasterk (Onderwijs, PvdA) het lerarentekort wilde bestrijden, maar we zitten nog steeds met een enorm tekort.

Het gaat hierbij niet alleen om voldoende leerkrachten, maar ook om goede leraren. De leraar maakt het verschil in de klas. Dit merken wij als leerlingen dag in, dag uit. Alleen een gemotiveerde en capabele leraar weet de minder goede leerlingen enthousiast te maken en binnenboord te houden, en de slimmeriken uit te dagen.

Wij waren gechoqueerd door het Onderwijsverslag 2010/2011. Hierin wordt aan de hand van een telraampje duidelijk gemaakt dat ongeveer een op de vier leraren op middelbare scholen de basisvaardigheden niet voldoende beheerst. Dit houdt in dat de leraar niet duidelijk kan uitleggen, geen goede werksfeer creëert en zijn leerlingen niet actief betrekt bij het onderwijs. Als dan ook nog blijkt dat zeven op de tien leraren geen feedback geven, hun lessen niet afstemmen op de klas en evenmin nagaan of de leerlingen de stof snappen, begint duidelijk te worden hoe het kan dat scholieren van de middelbare school af komen zonder dat ze werkwoorden kunnen vervoegen.

De indruk ontstaat dat een hoger salaris en bepaalde carrièreperspectieven nog niet hebben geleid tot de massale interesse van jonge topacademici om hun leven in het teken te stellen van het onderwijs. Wat moet er gebeuren om dit voor elkaar te krijgen?

Nederland staat sinds jaar en dag bij de bovenste landen van de PISA-ranking – dit staat voor Programme for International Student Assessment en is het meest gezaghebbende, internationale onderzoek naar de reken- en taalvaardigheid van vijftienjarige leerlingen – maar we zien de afgelopen tijd een neerwaartse trend. Nederland verliest terrein op landen als Finland en Zuid-Korea.

Wat doen wij fout wat deze landen goed doen? Het verschil zit niet zozeer in het geld. Finland en Zuid-Korea zijn landen die niet exorbitant veel geld uitgeven aan het onderwijs.

Het verschil zit in de manier waarop tegen het beroep van leraar wordt aangekeken. Nederland pakt het niet goed aan. Het is niet zo vreemd dat het lerarentekort nog niet is opgelost door leraren een bonus te geven. Het streven moet niet zijn om mensen aan te trekken die voor een paar euro’s extra in de maand wel voor de klas willen zitten, maar om academici aan te trekken die het niet voor alleen voor die eurootjes doen, maar ook voor de waardering, uitdaging en maatschappelijke relevantie van hun baan. Het zijn deze gemotiveerde hoogopgeleiden die kinderen goede scholing kunnen bieden – beter dan een luie student met een zesjesmentaliteit die alleen nog leraar kan worden omdat er zo’n enorm tekort is ontstaan.

Behalve dat het goed verdient om manager, advocaat of medewerker van de Crime Scene Investigation te zijn, is het bovenal cool om zo’n beroep op je naamkaartje te hebben staan. Een leraar wordt daarentegen gezien als onderbetaald en ondergewaardeerd door zowel leerlingen als de samenleving. Hierbij komt dat (pabo-)studenten niet meer kunnen spellen en rekenen. Je moet wel heel idealistisch zijn ingesteld om bij zo’n clubje te willen horen – of gek.

Wat doen landen als Finland, Zuid-Korea en Singapore anders? Leerkrachten krijgen daar niet aanzienlijk meer betaald, hebben ongetwijfeld net als hun Nederlandse collega’s te maken met lastige leerlingen en draaien eveneens veel uren – hoewel het er ruim tweehonderd minder zijn. Desondanks zijn de leerprestaties van Finse scholieren uitstekend en staan daar voldoende hoogopgeleide leraren voor de klas.

Het verschil is dat het voor een Fin veel lastiger is om leraar te worden. Alleen de beste studenten komen in aanmerking voor de lerarenopleiding, waar in Nederland tevergeefs wordt gezocht naar elke student die bereid is om leraar te worden. Zesjes zijn in Finland niet genoeg. Uitstekende cijfers zijn daar het vereiste voor een leraar.

Aan het einde van de rit staan er in Finland goede, hoogopgeleide leraren voor de klas. Ze zijn niet alleen voldoende opgeleid om met de jeugd van tegenwoordig om te gaan, maar ze hebben ook minder last van werkdruk.

Ons voorstel is om in Nederland het Finse model in te voeren. Hierdoor wordt het beroep van leraar populairder, doordat men ziet dat je slim en cool bent als leraar – en niet te slecht om een ander beroep uit te oefenen. Ook zonder bonussen kunnen we voldoende leraren werven.

De klok tikt. Hoe langer het duurt voordat het lerarentekort is opgelost, hoe meer scholieren er onnodig het slachtoffer van worden.

Caspar Horsch, Stephen Kho en Martin Speyart zitten in de vijfde klas van het Barlaeus Gymnasium te Amsterdam.