Wat je moet doen? Dat wijst zich vanzelf

Director Jacques Audiard, left, actors Marion Cotillard, Matthias Schoenaerts and Armand Verdure arrive for the screening of Rust and Bone at the 65th international film festival, in Cannes, southern France, Thursday, May 17, 2012. (AP Photo/Lionel Cironneau) AP

Op de zomerfestivals schijnt altijd de zon. O ja?Ik zag violisten vluchten voor een hoosbui met hun instrumenten onder hun jasjes. Ik kneep ’m toen trapezegroep Les Arts Sauts tussen de boomtoppen zwiepte in de wind. Ik hoorde acteurs in de bulderende storm hun teksten schreeuwen.

Ik houd van zomerfestivals. Is het zoel dan is het er romantisch en gezellig. Maar wie iets wil meemaken, gaat juist bij stinkweer. Rot voor de performers, een kick voor het publiek in warme trui plus regenpak.

Ik ga deze week eerst eens een dag naar Dronten, naar het XL Festival. Ik ben er nog nooit geweest, daarom. En Paulien Cornelisse en Chris Bajema treden er op met een nieuwe act, en die wil ik niet missen. Bekende namen ontbreken verder. Ach, ik zie wel. Ik doe in elk geval ook de voorstelling Zeikwijven en kakmadammen – over „de wereld van de openbare toiletten”. Dat komt doordat ik tien jaar terug heb genoten van de documentaire 25 cent, over de juffrouw van de retirade op een station. Wie weet herhaalt zich die ontroering hier. Zo niet, geeft niks, dan komt er wel wat anders. Een zomerfestival is een duiventil. De voorstellingen en concerten duren nooit lang, je doet er dus een stuk of wat. Hoe weet je wat je moet doen? Dat wijst zich vanzelf. Allerlei mensen, die je niet kende en die je nooit meer zult zien, vertellen je volgaarne wat ze de moeite waard vinden en wat niet. Ik vaar blind op die adviezen.

Maar de hemel hoort me brommen. Want aan de Côte d’Azur ontrolt zich zonder mij het zomerfestival der zomerfestivals: het filmfestival van Cannes. In een vorig leven was ik er een paar keer bij, ik weet hoe het smaakt. Niks locatietheater, niks gemoedelijkheid op een plein of een grasveld, maar de apenrots aan zee die Palais des Festivals heet. Met hoge witte trappen, gedrang aan de glazen deuren en gehol om neer te ploffen op een gunstige plek in de zaal. Gereserveerd? Niks mee te maken, ik zit, zie maar dat je me weg krijgt. De poen, de belangen. De glamour, o ja, die glamour. En alle films die er het komende jaar toe zullen doen samengepakt in minder dan twee weken. Heerlijk.

Gelukkig pik ik toch iets mee, al is dat tweedehands, bij de voorvertoning van een Cannes-film die hier volgende maand in première gaat: De rouille et d’os van Jacques Audiard. Wie zijn Un prophète zag, weet hoe beklemmend die man regisseert.

Het zal toeval zijn, maar De rouille et d’os sluit aan bij de bioscooophit van dit moment: Intouchables. Beide films gaan over een zwaar invalide mens die weer leert leven van iemand zonder poespas uit een compleet andere wereld. Het doet beide partijen goed en ons in de zaal ook. Intouchables is vrolijk, Audiards film is rauw. Maar daar gaat het nu niet om. Het gaat om Matthias Schoenaerts in de hoofdrol.

Ik zie de Belgische acteur, en ik weet: die gaat het ver schoppen, heel ver. De filmroyalty op het heilige pluche in Cannes kende hem al van Rundskop – die was genomineerd voor een Oscar. En nu krijgt hij de zet die nog nodig was.

Acteertalent heeft hij zat. Maar voor film is er iets anders nodig, daarom schieten briljante toneelacteurs (ik noem even geen namen) zo vaak op film tekort. Schoenaerts heeft wél dat dubbelzinnige ik-weet-niet-wat van de klassieke filmacteur. Denk aan Gérard Depardieu. George Clooney. Clint Eastwood. Sean Connery. Johnny Depp. Sean Penn. Rutger Hauer. Denk voor de toekomst aan Tygo Gernandt.

Schoenaerts speelt een ongeneerde beer. Geen ingewikkelde rol, hij doet het vaardig en lekker (ik zag op film nog nooit iemand zo achteloos even zijn lul schikken als hij). Maar rust de lens op hem, dan suggereert hij radeloze tederheid, wat zijn personage ook uitspookt (en dat is veel). Die gave maakt Matthias Schoenaerts tot de lieveling van Cannes 2012. En daar was ik toch een beetje bij.