Reacties op ‘Naar de crèche? Wat nog een jaar!’ in Mens&

17 april stond in de bijlage het artikel ‘Naar de crèche? Wat nog een jaar!’. Hieronder enkele ingezonden reacties.

Mevr.drs. M.L.Ladan-Uittenbosch: ‘Met aandacht heb ik het artikel van Marilse gelezen en ik ben het volledig met haar gedachtes eens. Ik zou het zelfs uitbreiden naar de eerste twee jaar van een baby.

Er vinden in die twee jaar zo ontzettend veel ontwikkelingsstappen plaats, die echt de zorg, aandacht en ondersteuning van een betrokken ouder nodig hebben.

Ik ben klinisch ontwikkelingspsycholoog en kinder- en jeugdpsychotherapeut en ik noem de problemen met kinderen die bv vanaf hun 3e maand in een kinderdagverblijf zitten, full time, zelf ,in middels het “kinderdagverblijf syndroom”. Dus ik onderscrhijf jouw visie volledig en ik zal met aandacht je boek straks gaan lezen over dit onderwerp.’

H. Wiegmans, arts: ‘Het zal slechts incidenteel zijn dat omwonenden van een kinderopvangcentrum reageren. Toch zijn de omwonenden degenen die de gang van zaken in een kinderopvang het beste kunnen beoordelen. De ouders droppen immers de kinderen in de ochtend om ze ’s avonds weer op te halen. Wat er in de tussentijd gebeurt kunnen zij veelal niet beoordelen.

Ik ben zo’n achterbuurman die veel last heeft van het schreeuwen en gillen van de kinderen maar ik ben ook tot de conclusie gekomen dat dat gedrag veroorzaakt wordt door te weinig aandacht van de begeleiders. Met drie of vier man op een bank zitten, het weekend besprekend, soms een uur achtereen, impliceert dat er geen tijd is voor de kinderen. Die gaan dus gillen en schreeuwen en worden incidenteel gecorrigeerd door begeleiders die naar de kinderen schreeuwen dat ze niet moeten schreeuwen. Wat te denken van de directeur/eigenaar die buiten zijn terrein op de grond ligt te roken. Wat te denken van de directeur/eigenaar die zijn auto structureel parkeert voor de achteruitgang van het kinderdagverblijf op een plek waar officieel niet geparkeerd mag worden en dat volgens de concept vergunning niet mag vanwege het blokkeren van vluchtroutes en invalsroutes voor brandweer en ambulances in geval van een calamiteit. Wat te denken van een kinderdagverblijf dat op 1-1-2011 de deuren opende terwijl de brandweer de zaak te gevaarlijk vond om positief te adviseren over het afgeven van een vergunning en nog steeds zonder officiële vergunning opereert.

Kinderopvang is commercie geworden. De eerste de beste fritesboer die meer kan verdienen met kinderopvang gaat dat doen. Vreemd dat als je 5 jaar bent je in het officiële circuit terecht komt met scholen die in stichtingsvorm gegoten zijn, geen winstoogmerk hebben  en streng gecontroleerd worden door de overheid. Van 0 tot 4 ben je aan de commercie overgeleverd met alle gevolgen van dien; kijk maar naar de zaak Robert M, maar er is veel meer bagger in de sector.

Naar mijn mening moet de kinderopvang in hetzelfde regime als het reguliere onderwijs worden opgenomen. Dat is ook niet heilig maar stukken beter dan de huidige constructie.

Ik hoor de directeur/eigenaar nog zeggen: “wij voeden niet op, dat is aan de ouders”. Zorgen voor kinderen is echter ook het bijbrengen van normen en waarden over de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Als we al zover zijn gezakt is de kinderopvang van nu de basis voor een volstrekt losgeslagen samenleving van de toekomst.’

Mark Bakkers: ‘Ik vraag me af of de huidige marktwerking binnen de kinderopvang (KO) de kwaliteit binnen de KO ten goede komt. Voor mij gaat het als ouder primair om de kwaliteit (lees het vertrouwen in de kwaliteit) van de KO. De grotere vraag naar kinderopvang tot 1 jan 2012 heeft het aantal kleine en grote kinderopvang-bedrijven/stichtingen doen toenemen. Door deze toename in KO’s zie je soms door de bomen het bos niet meer wat betreft kwaliteit. Bovendien had je te maken met schaarste dus een plekje bemachtigen was vaak eerste prioriteit.

Mijn ervaring is dat je als beginnend ouder niet weet waar je op moet letten bij de selectie van je KO. Vaak ben je op dat moment meer bezig met de zwangerschap en de komst van je (eerste) kind, dan met de kwaliteit van de KO.

In april 2011 werd ik als onderdeel van de oudercommissie met de neus op de feiten gedrukt toen via een stagiair negatieve berichten ten aanzien van de kwaliteit van de opvang doorkwamen. Op dat moment gingen onze jongste zoon van bijna 2 jaar en oudste zoon van 4 jaar drie dagen per week naar deze KO vestiging. Enkele weken later was onze kinderopvang in het nieuws onder de kop: “Maatregelen GGD na mistanden crèche”. Ik kan je vertellen dat de grond volledig onder je voeten wegzakt. Je vertrouwen in je KO is volledig weg.  Hoewel de waarneming dat je kinderen bij brengen en halen leuk spelen nog enig geruststelling geeft. Bij mij brak een periode aan van situatie analyseren, rationaliseren en intuïtief handelen. Dat laatste uitte zich in het opzoek gaan naar een nieuwe KO. Een nieuw geschikt plekje vinden is niet gemakkelijk  en wordt door veel ouders als een drempel ervaren (bovendien kan opzeggen niet per direct, omdat de opzegtermijnen in de KO vaak boven de 2 maanden liggen).

Gelukkig kreeg ik het vertrouwen terug via een oud studiegenootje wat bij een grote KO (Compananny) werkte. De volgende punten zorgde voor het terugkeren van vertrouwen en zijn volgens mij belangrijke selectie criteria die je (als nieuwe ouder) kunt hanteren:

1)      Het percentage hoogopgeleide leidsters en/of zeer ervaren leidsters binnen de KO.

2)      De mate waarin het pedagogisch beleid in de praktijk zich uit binnen de KO.

3)      Het hebben van aparte baby en peutergroepen met speciale aandacht voor de ontwikkeling van de baby/peuter.

4)      De aanwezigheid van een gezonde (warme) lunch maaltijd.

5)      Een 100% gevoel van vertrouwen hebben in de leidsters en de KO.

Het eerste punt kun je redelijk objectief toetsen. Bij de vestiging van de oude KO waren de meeste leidsters jonger dan 25 jaar, onervaren en laag opgeleid. Het ontbrak aan een ervaren (senior) leidster die corrigerend kan optreden ten aanzien van de jongere leidsters indien nodig. Het tweede punt, pedagogisch beleid, was bij de oude KO op papier aanwezig, maar de leidsters kende het beleid niet goed en handelde er niet naar. Ter illustratie, bij de rondleiding werd gewezen op indeling, uiterlijk en speeltjes die aansluiten bij het pedagogisch beleid. Bovendien sluit het beleid aan bij onze visie op opvoeden. Op het KO is het boekje “How to talk with kids”, wat ik net zelf had gelezen, verplichte kost voor alle leidsters.

Het derde punt komt met ervaring. Onze oudste zoon was bijna 4 jaar en zou in augustus naar school gaan. De vestiging van de KO was relatief klein en hierdoor kon eigenlijk geen aparte peutergroep worden gemaakt. We merkte dat op de oude KO de verticale groep in de praktijk een gedwongen keus is. Onze oudste zoon was op sommige dagen relatief alleen was als peuter binnen een groep jongere kinderen. Hierdoor was er naar onze mening niet genoeg uitdaging en aandacht voor zijn peuter ontwikkeling. Punt vier komt neer op gezonde voeding en een adequaat snoepbeleid. Onze ervaring is dat onze kinderen meer warm eten tussen de middag dan ‘s-avonds.

Het laatste punt is denk ik het meest belangrijke en puur intuïtief, een goed gevoel van vertrouwen hebben dat je kind veilig is en goed wordt verzorgd. Mijn vrouw is half Fins en ik denk dat Nederland veel kan leren van het Scandinavische model van kinderopvang en onderwijs. Kinderopvang wordt in Scandinavië vanuit de overheid samen met de werkgever goed geregeld zonder marktwerking.

Uiteindelijk is de overgang van oude naar nieuwe KO goed gegaan. De jongste van net 2 jaar hebben we verteld dat hij naar een peutergroep (voor oudere kindjes) ging. De oudste heeft 2 maanden kunnen overbruggen bij Oma en Opa (de beste opvang natuurlijk in de meeste gevallen) voordat hij na de zomervakantie voor het eerst naar school is gegaan.’

Marcel Rijs: ‘De stelling is van het kaliber: ‘Mensen raken gestresst door werken, dus stop met werken.’ Op zich helemaal waar natuurlijk, maar de praktijk is zoals vaker weerbarstig. Wij hebben onze samenleving de laatste jaren zodanig ingericht dat vader en moeder moeten werken, omdat ze anders het huis en de kosten voor het levensonderhoud niet meer kunnen betalen. (Voor eerdere generaties was een dubbel inkomen een ‘luxe’, nu is het ineens een ‘must’ geworden.)
Bij afwezigheid van (jonge) grootouders en andere netwerken is de crèche een onvermijdelijke oplossing.
Gelukkig levert een crèche niet alleen stress op: kinderen, ook baby’s, leren al op vroege leeftijd om te gaan met ‘vreemden’, waardoor ze in de regel ook minder gestresst worden in de omgang met leeftijdsgenoten op latere leeftijd. Het is misschien een schrale troost, maar ouders moeten zich tegenwoordig vastklampen aan dit soort strohalmen – of dakloos worden.’

S. van Limburg Brouwer: ‘Ik ben het helemaal eens met Marilse Eerkens en ben blij met haar onderzoek en boek. De mening van Chantal Kemnes met betrekking tot stress vind ik erg kort door de bocht en getuigt naar mijn mening van ongevoeligheid voor jonge kinderen. Hoezo betekent blootstelling aan stress als baby dat een kind later voorbereidt is op spannende situaties? Een baby kan stress toch helemaal niet plaatsen, laat staan verwerken ten gunste van latere ervaringen?’