'Er viel steeds meer weg. Maar dit toetsenbord, dat bleef' Scheppen Tekst Saskia van Loenen Foto Mark Kohn

Hoe ziet de werkplek eruit van mensen die scheppen? Wat hebben ze nodig om tot hun creaties te komen? In aflevering negen vertelt Anneke Stehouwer over de werkplek van haar man, schrijver Martin Bril (1959 – 2009).

Nederland; Amsterdam;Anneke Stehouwer (weduwe Martin Bril); foto: Mark Kohn

‘Rituelen, daar hield Martin ontzettend van. En die had hij ook nodig. Rituelen zijn structuur. De week begon in feite met de zondag. Dat was ook de dag dat Martin de hele dag hier was. Thuis. Heerlijk vond hij het, die zondag. Op die dag bereidde hij zich in zijn hoofd al helemaal voor op de columns in de week die voor hem lag. Hij verzamelde informatie, plaatjes, stukjes tekst. Knipte ook van alles uit, eigenlijk alles wat hem opviel en waar hij misschien iets mee zou kunnen. Draaide muziek die hem inspireerde; Dylan, Elvis, Charlie Rich. Bekeek landkaarten; uren kon hij bezig zijn met kaarten – die gaven hem ook structuur. Eigenlijk was hij zich die hele zondag aan het opladen voor de maandag. De maandag was zijn favoriete dag; het ochtendritueel van met name die dag kan ik nog steeds uittekenen. Het was één grote spanningsopbouw; het zichzelf oppompen, opladen voor de rit die hij die dag ging maken.

Om zeven uur stond hij op. Dan ging hij naar boven – we sliepen op de eerste verdieping en de woonkamer is tweehoog – om espresso te halen. Met zijn kopje koffie liep hij dan naar hier, zijn bureau. Zette de computer aan. Stak een sigaret op en opende de mail. Daarna ging hij nog zo’n drie keer de trappen op naar boven voor een nieuwe espresso, terug, nieuwe sigaret op. Plaatje erbij natuurlijk.

Daarna het volgende ritueel: dan ging hij douchen. Héél uitgebreid. Zich secuur scheren met veel scheerschuim. Vervolgens werd er heel veel Chanel opgespoten. En dan ging de sokkenla open. Martin was helemaal gek van sokken. Mooie sokken. Het liefst nieuwe, waar het kaartje nog aan zat. Daarna trok hij zijn donkere pak aan, zijn mooie bruine schoenen – en dan was hij helemaal het mannetje. Het was dan half negen. Nog wat koffie, misschien nog iemand bellen. En dan kon hij eindelijk weg: dan was de file wel opgelost. Het was voor een deel namelijk ook wachten op de file – als hij íéts haatte was het dat. Als hij op pad ging, wilde hij ook gáán.

In zijn zwarte Volvo reed hij de straat uit – met zijn iPod, waarop zijn ‘on the road’-muziek stond: door hemzelf steeds opnieuw samengestelde afspeellijsten. Een paar keer per week ging hij dwars door Nederland op weg naar een plekje dat om de een of andere reden zijn aandacht had getrokken. Dat kon door een krantenberichtje zijn, of doordat bij het turen over die kaarten ineens zijn oog op een onbekende plaatsnaam was gevallen. Meestal had hij heel helder voor ogen waar hij naartoe wilde; soms moest hij even zoeken naar een onderwerp en een enkele keer belde hij naar de krant of er nog leuk nieuws was. En dan ging hij daar naartoe. Of hij belandde ineens ergens onderweg. Of hoorde een gesprek in een café, of ontmoette mensen. Waar hij ook was, hij liep altijd met zijn notitieboekje rond. Schreef steekwoorden op, een enkele zin. Bij alles gold: hij wachtte tot het vonkje er was. Dan kon hij pas aan zijn stuk beginnen. Had hij eenmaal het onderwerp te pakken, dan reed hij zo snel mogelijk terug naar Amsterdam. En in die rit naar huis, in de auto, ontstond in feite de column. In zijn hoofd. De muziek stond dan weer aan, ja – juist. Die had hij nodig om te kunnen scheppen, om er met de juiste afstand naar te kunnen kijken.

Halverwege de middag kwam hij thuis. En dan kwam zijn hoogtepunt van de dag: de column schrijven. Omdat hij hem in zijn hoofd al helemaal had uitgedacht ging dat soms heel snel. Ik hoorde hem dan in razend tempo op die toetsen rammelen – een heerlijk geluid. Hij las hem soms niet eens meer na: als hij klaar was stuurde hij hem meteen weg. Dan ging hij een ommetje maken met de hond, soms even naar het café, maar we aten altijd op tijd. Pauw en Witteman haalden we, helaas, bijna nooit: om een uur of tien, half elf gingen we naar bed. Martin was echt een ochtendmens.

Deze werkplek vond hij fantastisch. Omdat het een vide is en je zo mooi naar beneden kunt kijken zat hij er op zijn troon. Aan alle kanten uitzicht, ook op het hoekje waar hij zijn favoriete Amerikaanse literatuur en muziek had staan. Deze plek heeft hij met zorg zo ingericht. Niets ligt hier zomaar: echt alles had een functie. Hij verzamelde spulletjes om zich heen die hem iets zeiden. Mooie notitieboekjes, mooie pennen. Maigret-boekjes, aanstekers, zakmessen. Je bouwt jezelf om je heen, het diende allemaal om zijn eigen identiteit vorm te geven.

Toen hij ziek werd, heeft hij zo lang mogelijk volgens zijn vaste rituelen gewerkt. Maar er vielen er steeds meer af. Op een gegeven moment kon hij zelf niet meer autorijden. Maar hij schreef door, zelf. Zijn toetsenbord was hem heilig – dat wás Martin. Steeds meer viel weg, alles werd langzaam maar zeker gecomprimeerd tot dit ene toetsenbord. Dat bleef. Dat moest doorgaan. Schrijven. Als het toetsenbord weg zou vallen, was het gedaan. En zo is het ook gegaan. Zijn laatste column voor de Volkskrant schreef hij ook nog hier. Toen hij daarmee klaar was, hebben we hem naar boven geholpen. Hij is nooit meer naar beneden gekomen.”