De Bovenbazen (16)

Heer Bommel verliet met onzekere tred het Bankgebouw. Hij was zó verdiept in zijn verwarde gedachten dat hij zijn jonge vriend pas opmerkte toen die hem aansprak.

‘Wat zei de president?’, vroeg Tom Poes. ‘Was hij aardig?’

‘Aardig?’, mompelde heer Ollie, opschrikkend. ‘O, ja, heel aardig. We hebben gezellig gepraat, hoor. Over geldzaken. Fuziepulaties en zo. Isolatieband en ddt. Wist je trouwens dat de natuur onze vijand is? Maar, ach, jij bent veel te jong voor die dingen.’

‘Hm’, zei Tom Poes.

‘Wat hm?’, hernam heer Bommel. ‘Laat dit nu maar aan mij over. Ik heb hier een boekje met voorschriften, waar ik me aan moet houden.’

‘Hm’, herhaalde Tom Poes, die steeds ongeruster begon te worden. Hij stapte in de Oude Schicht en wierp een zijdelingse blik op heer Ollie, die geprikkeld te veel gas gaf bij het wegrijden. ‘Dat komt van je gehum!’, riep de chauffeur uit. ‘Je moest wat meer vertrouwen in me hebben, jonge vriend. Ik ben nu een van de Bovenste Tien. Daarnet heb ik alle ddt aandelen gekregen. Van aws…’

‘aws?’ herhaalde Tom Poes onthutst. ‘Was die de president van de Aard-Bank?’

‘Zeker’, bevestigde heer Bommel. ‘Zo’n figuur is zó groot dat hij alles kan zijn wat hij maar wil!’

Tom Poes knikte. Hij staarde nadenkend naar de benzinepomp, die bij een ronding van de weg weer in het gezicht kwam en wees er naar. ‘Wilt u hier even stoppen?’ vroeg hij.