Brazilië als ‘redder’ milieu

Volgende maand is in Rio de Janeiro een grote conferentie over duurzaamheid. Nu al bekvechten de deelnemers over de vraag of milieu nog wel boven economie gaat.

Aan goede bedoelingen geen gebrek. Milieugroepen, vakbonden, wetenschappers, bedrijven en allerlei gelegenheidsfora van belangengroepen komen al maanden met aanbevelingen voor Rio+20, de duurzaamheidsconferentie die volgende maand wordt gehouden in Rio de Janeiro. De conferentie herdenkt de grote Earth Summit, die twintig jaar geleden het internationale milieubeleid een belangrijke impuls gaf. Op de conferentie moeten nieuwe doelstellingen worden geformuleerd voor een duurzame economie en een aarde die beter tegen een stootje kan.

De oude doelstellingen – halvering van armoede en honger, schoon drinkwater en rioleringen, het voorkomen van kindersterfte, enzovoort – zijn nog lang niet allemaal gehaald. Maar de snelheid waarmee de wereldbevolking toeneemt, ecosystemen veranderen, oceanen uitgeput raken en grondstoffen schaarser worden, dwingt tot bezinning.

De deelnemende landen zijn al maanden aan het onderhandelen over een slottekst. Die moet min of meer klaar zijn als Rio+20 begint. Op de driedaagse conferentie zelf zal dat nooit lukken. Er circuleert al weken een ‘nulversie’ van de slottekst. Van de 6.000 pagina’s met voorstellen van landen en belangengroepen, zijn er nog zo’n honderd over.

Over de titel ‘The Future We Want’ – De toekomst die we willen – zijn de onderhandelaars het wel eens. Maar niet over wat erin moet staan. Volgende week is een extra vergaderronde ingelast en waarschijnlijk zullen vlak voor de conferentie milieuministers een laatste poging doen.

„Laten we eerlijk zijn”, zei de secretaris-generaal van de conferentie, de Chinees Sha Zukang, twee weken geleden, „de onderhandelingstekst lijkt in niets op het gefocuste politieke document waar de Algemene Vergadering [van de VN, red.] om heeft gevraagd”. Helen Clark, chef van de ontwikkelingsorganisatie van de Verenigde Naties (UNDP), benadrukte vorige week dat de onderhandelaars niet moeten proberen een verdrag te schrijven, met juridisch bindende afspraken. Rio+20 moet landen inspireren en leiders de kans bieden ervaringen uit te wisselen.

Volgens europarlementariër Gerben-Jan Gerbrandy (D66), rapporteur voor duurzame economische ontwikkeling, vinden ontwikkelingslanden dat er te veel gepraat wordt over milieu. Maar maatregelen op dat gebied kunnen ten koste gaan van onbelemmerde economische groei. Ze kijken argwanend naar westerse pleidooien voor een ‘groene economie’. Is de volgende stap misschien ‘groen’ protectionisme? Ontwikkelingslanden willen het hebben over sociale onderwerpen, zoals maatschappelijke ongelijkheid, verdeling van grondstoffen en overdracht van technologische kennis om duurzaamheid te bevorderen.

De Amerikaanse regering probeert volgens Gerbrandy die zorgen van ontwikkelingslanden aan te wakkeren. Met verkiezingen in aantocht heeft president Barack Obama geen behoefte aan een succesvolle top. Hij zal Rio waarschijnlijk mijden en wil na afloop niet moeten uitleggen dat de Verenigde Naties hun toezicht op het internationale (en dus ook Amerikaanse) milieubeleid vergroten. De kans dat het VN-milieuprogramma UNEP wordt opgetuigd tot een milieuwaakhond vergelijkbaar met de Wereldhandelsorganisatie, zoals sommigen graag zouden zien, is dan ook niet groot.

Ook gastland Brazilië speelt een schimmig spel. Het land wil pronken met een succesvolle conferentie, maar ziet zijn exploitatie van grondstoffen niet graag belemmerd door afspraken over duurzaamheid. Er wordt geroddeld dat de Brazilianen de onderhandelingen nu frustreren, om straks een noodplan tevoorschijn te toveren en de geschiedenis in te gaan als redders van de conferentie.

„De wereld kijkt toe”, waarschuwde VN-secretaris-generaal Ban Ki-moon deze week in New York. „Het tempo van onderhandelingen zendt een verkeerd signaal. We moeten niet met een microscopisch onderzoek van de tekst het totaalbeeld uit het oog verliezen.”

Ook al zijn de naar verwachting 50.000 deelnemers aan Rio+20 het eens over ‘de toekomst die we willen’, er bestaat nog grote onenigheid over de weg ernaartoe.