Wat wij maken, is Mwah

Erwin Pols (38) is ‘tekstueel verwenner’, Ropp Schouten (34) doet het ‘grafisch geheel’. Samen vormen ze bureau Mwah in Rotterdam. Hun stijl? „Cynisch recht door zee.” Om 13 uur, als we hebben afgesproken, zijn ze achterin hun kantoor annex winkel. Ze eten staand brood met kaas en olijven met humus.

Erwin: „Ropp is de man van de humus. Het was een kleine ramp toen er vorige week geen humus te koop was.”

Ropp: „En Erwin vindt het fijn om geitenkaas met walnoten en honing naar binnen te proppen. Als toetje een boterham met pindakaas en hagelslag. Om het af te maken een salmiakbal en ter afsluiting een kopje thee.”

Ropp: „We weten precies van elkaar wat we lekker vinden. Daar hou je rekening mee bij de boodschappen.”

Erwin: „Ik kwam Ropp voor het eerst tegen bij het Rotterdamse Witte de Withfestival in 2006. We hadden met het kantoor waar ik toen voor werkte een borrel in café de Schouw. Ropp was er ook.”

Ropp: „Ik was freelancer en zocht teksten met een dubbele laag bij mijn illustraties. Erwin had al teksten en zocht een ontwerper. Het begon met wat flauwe woordgrappen. Toen gaf ik hem een biertje, en hij daarna een aan mij. Dat was het begin.”

Erwin: „Ropp stuurde de volgende dag zijn portfolio en een week later zaten we alweer bij elkaar.”

Ropp: „De vriendschap kwam na het zakelijke. We gaan ook wel eens samen op vakantie, snowboarden.”

Erwin: „Met Mwah bedenken we concepten en slogans voor opdrachtgevers. We doen performances en hebben onze eigen producten. Een van de bekendste is de kledinglijn met ‘Ich liebe Rotterdam’.”

Ropp: „Dat was de eerste keer dat we van onze huisstijl afweken. In het begin hebben we onze identiteit bepaald, met zwart-wit en een bepaald lettertype. ‘Ich liebe Rotterdam’ had ik anders opgemaakt.”

Erwin: „Ik vond het heel mooi.”

Ropp: „Ik zei: we moeten langer doorgaan met ons eigen imago zodat we herkenbaar worden. Daar paste dit eigenlijk niet in.”

Erwin: „Hebben we er zelfs een andere merknaam voor verzonnen.”

Ropp: „Daar hebben we dan discussies over. Nu zeggen we: wat wij maken, is Mwah. Het hoeft niet strak in het plaatje te passen.”

Erwin: „Bij discussies roepen we niet naar elkaar, er wordt wel veel gezucht. Ik ben overtuigd dat het ene gaat werken, Ropp denkt dat het andere beter is. Uiteindelijk wordt het grijs.”

Ropp: „Nee, het wordt nooit grijs. Het wordt of zwart of wit. En meestal zwart, jouw idee.”

Erwin: „...”

Ropp: „Erwin is heel creatief, bijna geniaal zou ik het willen noemen. Met een behoorlijk ego wel. Als je dag in dag uit bezig bent met jezelf, met je eigen ideeën, moet je daarmee zien te dealen. Hij wil de dingen laten gebeuren. Ik beschouw mezelf een beetje als de rem van Erwin.”

Erwin: „Die rem leidt soms tot gezucht bij mij. Ik ben ongeduldig, wil dat het nu gebeurt. Niet dat ik altijd overwerk, ik ben geen kantoraholic. Wel een workaholic, maar dat is Ropp ook. Dit is wie we zijn. We hebben ook allebei geen kunstacademie of grafische studie gedaan. Ik heb Economisch Linguïstisch gestudeerd.”

Ropp: „Ik ben van oorsprong onderhoudsmonteur.”

Ze kennen elkaar behoorlijk goed. Weten wanneer de ander zich aan de muziek op kantoor gaat ergeren en hebben zo hun eigen kantoorrituelen.

Ropp: „Ik introduceer elke twee maanden een nieuwe welkomsgroet. Dat doe ik om sleur te voorkomen.”

Erwin: „Ik zeg soms ’s ochtends als ik binnenkom: en, al iets verkocht?”

Erwin: „Complimenten geven we niet echt. We zeggen ‘nice job’. Of als de ander naar een opdrachtgever gaat: laat ze een poepie ruiken.”

Ropp: „Ik zeg ook niet altijd tegen mijn moeder ‘ik hou van je’, maar het is wel zo.”

Als de fotograaf binnenkomt, gaat Ropp naar beneden om zich om te kleden. „Doen we net alsof dit onze bedrijfskleding is”, zegt hij terwijl hij zich in een zwarte overall hijst.

Met je collega in deze rubriek? Aanmelden via werk@nrc.nl.