Uitslag onbekend

Vandaag en morgen zijn er verkiezingen in Egypte. Het leger heeft er nog altijd alle macht. Maar de inwoners zijn geen bange burgers meer.

In this Tuesday, March 13, 2012 photo, a boy watches an Egyptian female artist and activist at work on the "No Walls Street" during the graffiti campaign to paint a reproduction of the streets behind them and targeted the concrete blocks walls in downtown Cairo, Egypt. After Egypt's ruling military sealed off streets around Cairo's Tahrir Square with walls of imposing concrete blocks, a group of artists decided to reopen the avenues on their own, in the public imagination, at least. (AP Photo/Nasser Nasser) AP

Correspondent Noord-Afrika

Miral Brinji krijgt de laatste tijd een hoop shit van haar vrienden. „Ze zeggen dat ik feloul ben omdat ik voor Moussa ga stemmen”, zegt de 27-jarige vrouw. Feloul is de term die Egyptische activisten gebruiken om de overblijfselen – sommigen zeggen de remsporen – van het regime van Hosni Mubarak te omschrijven. Twee kandidaten in de presidentsverkiezingen van deze week vallen onder die term: Amr Moussa, gewezen minister van Buitenlandse Zaken en hoofd van de Arabische Liga, en Ahmed Shafiq, de laatste premier onder Mubarak.

„Maar iemand die een geweldige revolutionair was, wordt niet per se een geweldige president”, zegt Brinji. „Moussa kent alle wereldleiders en zij kennen hem. Egypte gaat zo iemand nodig hebben.” Bovenal is ze als de dood dat een islamitische kandidaat president wordt. „Want dan wordt Egypte straks zoals Iran.”

Het is verrassend en niet vrolijkstemmend dat iemand als Brinji, die vorig jaar een actieve rol speelde op het Tahrirplein, overweegt te stemmen op een kandidaat die deel uitmaakte van het oude regime. Maar tussen alle onheilsberichten over de koers van de revolutie valt één ding niet te ontkennen: als de Egyptenaren vandaag en morgen naar de stembus trekken, is het voor het eerst in zestig jaar dat niet bij voorbaat vaststaat wie de winnaar is.

Het optimisme over de ‘Arabische lente’ is het afgelopen anderhalf jaar behoorlijk bekoeld. Vooral met betrekking tot Egypte, het grootste Arabische land en een historisch gidsland, waren de verwachtingen hooggespannen. Te hoog, misschien. De parlementsverkiezingen begin dit jaar werden gewonnen door de Moslimbroederschap en de nog radicalere salafisten. En tot nader order is het nog altijd de militaire junta die het voor het zeggen heeft. De pessimisten die waarschuwden dat democratie in de Arabische wereld alleen slecht kon aflopen, lijken gelijk te krijgen.

Tegelijkertijd is Egypte het afgelopen jaar onherkenbaar veranderd. Vóór de opstand lokten betogingen tegen het regime hooguit tientallen mensen, die ook prompt gearresteerd werden. Nu gaan de Egyptenaren met honderdduizenden tegelijk de straat op. Vóór de opstand praatten de Egyptenaren over voetbal omdat dat een veilig thema was. Nu praat iedereen honderduit over de politiek.

In 2010 keek de bekende Egyptische schrijver Alaa al-Aswany nog met stomme verbazing naar de rel rond Gordon Brown en Gillian Duffy, een volkse vrouw in Manchester die de Britse premier had klemgezet met een vraag rond sociale zekerheid en immigratie. Zich niet bewust van het feit dat hij een microfoon van Sky News droeg, had Brown haar achteraf tegen een medewerker een racist genoemd. Brown zag zich verplicht terug te keren naar Manchester om zich te verontschuldigen. Als Duffy in Egypte had geleefd, schreef al-Aswany destijds, „dan was ze gearresteerd en naar de dichtstbijzijnde gevangenis gebracht om gefolterd te worden”.

En ja, dat laatste is nog altijd mogelijk: het leger wordt om de haverklap beschuldigd van het folteren van activisten. Anderzijds was dit anderhalf jaar geleden ondenkbaar geweest: dat kandidaten voor het presidentschap alle hoeken van het land afreizen om gewone mensen te overtuigen, die deelnemen aan presidentiële debatten op zijn Amerikaans, of zich onderwerpen aan een urenlang kruisverhoor op televisie.

Het democratisch proces in Egypte is ver van volmaakt. Zo gaan de Egyptenaren nu vandaag naar de stembus om een president te kiezen, terwijl nog niet eens begonnen is met het schrijven van de nieuwe grondwet die de functie van die president moet vastleggen. Zolang niet duidelijk is welke rol het leger in de toekomst zal spelen, zal politiek in Egypte tot op zekere hoogte een oefening in futiliteit blijven.

Maar de verkiezingen die volgden op de opstanden in Tunesië en Egypte zijn in zekere zin een meetlat voor niets. Verkiezingen zijn een manier om de uittredende ploeg te belonen of af te straffen voor het geleverde werk. De Arabische kiezer heeft zo’n referentiepunt niet: de meeste partijen en kandidaten hebben geen bestuursverleden waarop ze beoordeeld kunnen worden. Het was dan ook niet onlogisch dat veel mensen stemden op islamitische partijen. Om religieuze redenen: iemand die vijf keer per dag naar de moskee gaat, kan niet slecht zijn. Of om pragmatische redenen: zij waren de enigen met een organisatie.

Anthony Shadid, de correspondent van de Washington Post die dit jaar in Syrië aan een astma-aanval overleed, formuleerde het zo in zijn laatste artikel. „Als de opstanden van vorig jaar het ontwaken waren van een jonge generatie die droomde van een andere toekomst voor de Arabische wereld, dan is de nasleep ervan juist het gloriemoment van een andere, oudere generatie.”

De verwachting is dat die oudere generatie bij de volgende verkiezingen, binnen vier of vijf jaar, de rekening krijgt gepresenteerd. Dan pas zal de kiezer kunnen beoordelen of „de islam” inderdaad „de oplossing is”, zoals de slogan van de Moslimbroeders luidt, of dat islamitische politici uiteindelijk ook maar gewone politici zijn.

Het lijkt erop dat de Egyptische kiezer niet zo lang wil wachten. Met opiniepeilingen moet men altijd oppassen, en al helemaal in een land waar onafhankelijke peilingen nieuw en zeldzaam zijn. Maar uit alle peilingen blijkt wel dat de kandidaat van de Moslimbroederschap, Mohammed Morsi, onderaan bungelt. Na de monsterscore van de Moslimbroederschap bij de parlementsverkiezingen (37 procent) kan het verbazen dat de partij zo snel in populariteit is gedaald.

Morsi’s magere score is voor een stuk een weerspiegeling van de versplintering van het islamitische kamp. De Moslimbroeders hebben aan de rechterzijde te kampen met de salafisten, die verrassend goed hebben gescoord in de parlementsverkiezingen, en aan de linkerzijde met de dissidenten uit het eigen kamp, die het huidige leiderschap dictatoriale neigingen toeschrijven.

Maar de achteruitgang van de Moslimbroeders is ook een teken van de toenemende politieke volwassenheid van de kiezer. Morsi’s bijnaam is tegenwoordig ‘het reservewiel’. Dat komt omdat hij pas werd ingezet nadat Khairat al-Shater, de eerste keuze, werd gediskwalificeerd omwille van een niet afgehandeld gerechtelijk dossier uit de Mubarak-tijd.

Vooral is het de kiezer niet ontgaan hoe belust de Moslimbroederschap is op macht. Aboul-Fottouh werd eerder dit jaar uit de Moslimbroederschap gezet omdat hij zich kandidaat had gesteld voor het presidentschap. De Moslimbroederschap wilde toen nog niet meedingen omdat zij niet de indruk wilde geven het hele land te willen domineren. Nu zij toch meedoen, maakt de kiezer zelf die afweging.

„Wij hadden veel respect voor de Moslimbroeders omdat zij erg geleden hebben onder Mubarak”, zegt de 65-jarige Samir Mohamed Guima in een arme buitenwijk van Kairo. „Daarom hebben we voor hen gestemd in het parlement. Maar nu willen ze het hele land controleren terwijl ze nog helemaal niks bewezen hebben.”

Ook de halfslachtige houding van de partij ten overstaan van de excessen van het leger heeft een aantal mensen doen afhaken. Toen Morsi eerder deze maand een bijeenkomst aan de Al Azhar-universiteit in Kairo verliet, werd zijn konvooi uitgejouwd door een vrouw met hoofddoek die vanaf de vijfde verdieping uit volle borst riep: „Weg met het leger en weg met de Moslimbroeders! De Moslimbroeders zijn verraders!” Een ‘Gordon Brown-moment’ was het nog niet. Maar de politici in Egypte zullen het geweten hebben: hun kiezerspubliek is mondig geworden.

„Niet de situatie is veranderd: wij zijn veranderd”, vatte filmmaker Wael Omar de situatie onlangs samen tijdens een debat in het Frans cultureel centrum in Kairo. „Er zijn nog veel problemen”, zegt ook Ahmed Maher, de leider van de 6 april-beweging, „in de eerste plaats het leger. Maar deze verkiezingen zijn wel een eerste stap in de goede richting. Echte verandering in Egypte is een werk van jaren.”