Poëzie van de Talibaan

Ook Talibaan dichten, blijkt uit het boek Poetry of the Taliban. Vooral over sneuvelende martelaars en strijders die ‘voetballen met de hoofden van heidenen’.

„Aanvankelijk dachten veel mensen dat het om een grap ging”, zegt Alex Strick van Linschoten over het boek waarvan hij mede-auteur is. „Alleen al het idee dat Talibaan gedichten zouden schrijven.” Foto AFP

Een draconisch verbod op muziek, instrumentenverbrandingen en de verwoesting van antieke boeddhabeelden: het zijn slechts enkele redenen dat de culturele reputatie van de Talibaan zo beroerd is. En toch trilt onder dat harnas van fundamentalisme een poëtische snaar, verzekeren Afghanistan-kenners Felix Kuehn en Alex Strick van Linschoten. In hun boek Poetry of the Taliban bundelden ze een bloemlezing uit twee decennia vaak emotionele Talibaan-poëzie.

„Aanvankelijk dachten veel mensen dat het om een grap ging”, zegt Strick. „Alleen al het idee dat Talibaan gedichten zouden schrijven.” Maar poëzie, zeggen de samenstellers, hoort in Afghanistan tot „het levensbloed van het sociale verkeer”. Ook voor de Talibaan.

Toen Talibaan-leider Mullah Omar in de jaren negentig een muziekverbod uitvaardigde, was de censuur selectief. Gedichten en onbegeleide gezangen werden gespaard. Het regime begon aan de agressieve verspreiding van instrumentloze tarana-ballades via de radio. Ook na de val van het bewind in 2001 bleef de beweging poëzie publiceren, ditmaal op haar website. „Het is een vorm van naar buiten reiken”, zegt Strick. „Je hoeft niet altijd te zeggen ‘werk met ons en vecht met ons’ om sympathie en solidariteit te genereren.”

In de 235 Talibaan-verzen die in het boek zijn opgenomen, komt veel geweldsverheerlijking voor. Blijmoedig sneuvelende martelaars en strijders die „voetballen met de hoofden van heidenen”. Het zijn geen ongewone verschijningen in het genre. „Maar er zit ook veel erg emotioneel werk bij”, zegt Strick. „In de kranten worden ze vaak afgebeeld als gevoelloze automaten, maar ook de Talibaan zijn mensen.” De meest courante emoties zijn verdriet, woede, somberheid. Over het bombardement van een huwelijksfeest, het uiteenrukken van een gezin, de algehele kladderadatsch van de samenleving. Een poëet resumeert: „Hier is rouw. Hier is geween en treurnis, tumult in elk huis.” Een andere sombere geest schrijft: „Afghanen weten niet hoe ze vooruit moeten. Ze glijden terug in het stof.” Strick: „Na 2001 krijg je veel meer de indruk dat mensen slachtoffers zijn, gevangenen van hun lot. Er zitten bergen verhalen bij van mensen die gemarteld of gevangengenomen worden, bommen die huizen platleggen.” Die zwartgalligheid wordt af en toe evenwel getemperd met een grimlach: in een satirische ballade jammeren de geliefden Karzai en Bush over de pijn van hun scheiding. En soms wijkt oorlog in zijn geheel voor meer universeel sentiment: klaagzangen over vergane liefde, een pastorale over het woud bij het vallen van de avond.

De variatie weerspiegelt de herkomst van het werk. „Volgens onze aanwijzingen vormen de dichters op de website een dwarsdoorsnede van de Talibaan”, zegtKuehn. „Van leiders tot simpele voetsoldaten met een drang naar poëzie. Daarom zijn de gedichten interessant. Ze bieden een breed beeld van een grote groep mensen die zichzelf zien als Talibaan.” Onder hen ook één vrouw. En, even opmerkelijk: ook niet-Talibaan leverden bijdragen, zoals een provinciegouverneur en een journalist van de Voice of America, de Amerikaanse staatszender in het buitenland. Strick: „Het is niet ongewoon dat mensen Talibaan-vrienden hebben met wie ze over poëzie discussiëren. In Zuid-Afghanistan bestaat een vage grens tussen Talibaan en samenleving. De Talibaan zijn daar geen vreemde macht. Ze vechten er dicht bij hun dorpen.” Daar worden, net als in de steden, mp3’s van de gereciteerde verzen vlot rondgestuurd via mobieltjes. „We hebben veel vrienden in Zuid-Afghanistan die verwoed luisteren naar Talibaan-poëzie”, zegt Kuehn. „Omdat die resoneert met de manier waarop ze zichzelf en hun cultuur zien.”

In het land waar het boek is uitgegeven, Groot-Brittannië, zijn de reacties minder begripvol. Voormalig kolonel Richard Kemp beschuldigde Strick en Kuehn er in het dagblad The Guardian van „een stem te geven aan terroristen”. Hij noemde de gedichten, nog voor publicatie, „een hoop zelfvergoelijkende propaganda”. Kemp: „Wat we in gedachten moeten houden, is dat dit fascistische, moordende boeven zijn die vrouwen onderdrukken en mensen doden zonder genade.”

Kuehn: „Je zal zien dat zwart en wit grijs worden bij het lezen van de verzen. Onlangs werd ook een bundel uitgebracht met gedichten van Britse soldaten. Leg die naast de onze en je merkt dat er heel veel gedeelde ervaringen zijn.”