Outsiders op de vlucht of op zoek

Het duurde nog tien jaar voordat de roadmovie ontstond, maar de publicatie van roman On the Road stond in 1957 aan de basis van het nieuwe filmgenre.

Voor de roman On the Road waren er legio films waarin de hoofdpersonen steeds onderweg waren. Maar toen was de weg nog een vloek, nooit een zegen. Neem de nihilistische film noir Detour (1945), waarin een lifter op weg van New York naar Los Angeles door misverstanden en een monsterlijke vrouw gedoemd is zijn verdere leven naamloos rond te zwerven. Voor hem geen ‘home’, familie en appeltaart meer: de waarden waarvoor Amerikaanse GI’s in de Tweede Wereldoorlog vochten.

Met Jack Kerouacs On the Road in 1957 veranderde de perceptie: onderweg stond nadien voor horizonten verleggen, voor bevrijding van benauwende banden. Al duurde het nog tien jaar voordat dat zich in een nieuw filmgenre vertaalde: met Bonnie & Clyde (1967) en Easy Rider (1969) drong de tegencultuur in Hollywood door en werd de roadmovie geboren.

In beide films gaat het om outsiders die door een vijandig Amerika reizen en sneuvelen: in het ene geval desperado’s op de vlucht voor iets, in het tweede geval avonturiers op zoek naar iets. Vluchten of zoeken: daar draait het om bij roadmovies. Zoeken naar het ware Amerika, spiritueel ontwaken, wraak, familie. Maar het doel doet er vaak niet zo toe: de queeste is het verhaal. Liefst door het hartland, met rockmuziek voortrazend in een auto, symbool van ongebondenheid. Dat biedt ook gelegenheid tot shots van asfalt, peinzende blikken in achteruitkijkspiegels en landschappen die een stemming bepalen – lyrisch natuurschoon, industriële treurnis. Mobiliteit resulteert in vrijheid en verlichting, anders dan de geestdodende veiligheid van huis en haard. De reiziger is een cowboy, ridder, zwerver.

Als vrucht van Europees existentialisme, de Nouvelle Vague en de beatniksensibiliteit neigen roadmovies tot associatieve vormloosheid: ze bestaan uit ontmoetingen tijdens pitstops. De eerste roadmovies van de jaren zeventig waren tevens leeg en uitzichtloos. Opgepikt door regisseurs als Wim Wenders en Jim Jarmusch werd het genre pas echt populair in de jaren negentig. Toen trokken niet langer alleen blanke mannen, maar ook vrouwen (Thelma & Louise), homo’s (My Private Idaho, Priscilla, Queen of the Desert) en zelfs bejaarden (The Straight Story) de wijde wereld in.