'MIB III' amuseert, maar is te diffuus om veel indruk te maken

Will Smith (left) and Tommy Lee Jones star in Columbia Pictures' MEN IN BLACK 3.

Men in black 3. Regie: Barry Sonnenfeld. Met Will Smith, Tommy Lee Jones, Josh Brolin, Emma Thompson. In: 103 bioscopen, meestal 3D. ***

Het briljante aan de succesvolle serie Men in Black-films is dat er van twee walletjes wordt gegeten: zowel de gelovigen aan UFO’s als degenen die dit geloof geweldige flauwekul vinden komen aan hun trekken. Het thema van de ‘mannen in het zwart’ refereert aan handlangers van de Amerikaanse regering die – volgens de gelovigen – tot taak hebben UFO’s en buitenaardse wezens te neutraliseren en de wetenschap daarover aan het oog van het algemene publiek te onttrekken. Deze stelling wordt door de films bevestigd, maar op een zodanig karikaturale en barokke wijze dat er ook voor de sceptici veel te lachen valt.

De eerste MIB uit 1997 zette de toon: geheel onbedoeld dringen veel aliens toch onze planeet – of liever gezegd de Verenigde Staten – binnen, net als illegale Mexicaanse immigranten. Zonder de MIB was de aardse beschaving er al vele malen geweest. MIB 2 uit 2002 voegde aan dit thema nog een maatschappelijke dimensie toe: net als tegenover illegale Mexicaanse immigranten voert de dienst MIB tegenover buitenaardse wezens een gedoogbeleid. Gaat er eentje in de fout, dan grijpt de dienst in en neutraliseert toevallige menselijke getuigen van het incident met een zogeheten ‘neuralisator’, die wat ze waarnamen vervangt door een schijnbeeld.

In MIB 3 zijn de hoofdpersonen dezelfden: het multiraciale agentenduo ‘J’ (Will Smith) en ‘K’ (Tommy Lee Jones). De dienst heeft, naar de eisen der tijd, een vrouwelijke directeur die door Emma Thomson wordt vertolkt, zonder de naam te veranderen in ‘Persons in Black’.

Het begin is veelbelovend. Prachtig is de scène in een Chinees restaurant waarvan de gewetenloze eigenaar in plaats van de gebruikelijke katten en honden illegaal slijmerige buitenaardse wezens in de haaienvinnensoep verwerkt. Maar dan introduceert het scenario opeens het element ‘reis door de tijd’: een stekelige alien, Boris het Beest, reist terug naar 1969 om daar agent K. te vermoorden. Scenariotechnisch is dat een waagstuk. De parallelle wereld van de MIB en de ‘aliens’ vormen van zichzelf immers al een metafoor voor de Amerikaanse samenleving, en daar ga je dan nog eens een tweede metafoor aan toevoegen.

Aanvankelijk gaat dat goed. De zwarte agent J, die in het heden een kleuter wiens chocolademelk hij heeft opgedronken tegen zijn moeder hoort zeggen dat „de president mijn melk heeft opgedronken” - wordt – eenmaal verplaatst naar de Verenigde Staten van 1969 – prompt opgepakt door twee politieagenten die zich afvragen hoe het kan dat een zwarte in zo’n dure auto rijdt. Ook de schildering van de dienst anno 1969, als de schrijfmachine nog op geen enkel bureau ontbreekt en de kantoorverhoudingen enigszins geënt lijken op de tv-serie Mad Men, mag er wezen.

Maar dit parodistische element verdwijnt geleidelijk op de achtergrond. Het jaar 1969 blijkt alleen maar gekozen om de handeling te kunnen verplaatsen naar de ruimtebasis Cape Canaveral in Florida, waar de Apollomissie van de eerste maanlanding vertrekt. Die maanlanding zelf speelt in de film echter geen rol: alleen de lancering wordt gebruikt als decor voor actiescènes.

Dat tekent het probleem: er wordt vreselijk veel overhoop gehaald maar het lijkt net alsof scenarist Etan Cohen niet heeft durven doorpakken. Een beetje satire, een beetje romantiek, een beetje scifi: niets bijzonders. De digitale animatie heeft sinds 1997 iets van zijn sensatie verloren: elke zichzelf respecterende 15-jarige kent dat nu van zijn Playstation.

MIB 1 en 2 boden behalve humor en actie ook ‘food for thought’: wat zegt het over de Amerikaanse samenleving dat het zó makkelijk is de werkelijkheid aan de ogen van staatsburger te onttrekken? In MIB 3 kan er nog geen grapje over president Nixon af. Een amusante actiefilm, maar te diffuus van opzet om veel indruk achter te laten.