Lichtgevende billen

Op Texel valt nooit helemaal aan Jan Wolkers te ontkomen, ook al is hij nu alweer bijna vijf jaar dood. We moesten een keus maken uit een groot aantal fietsroutes, daar was ook een Jan Wolkers-fietsroute bij. Op de voorkant stond een al wat oudere Wolkers afgebeeld, terwijl hij twee egeltjes vasthield alsof het zijn eigen pasgeboren tweeling was.

Wat doe je dan? Kopen die route – en fietsen.

Wolkers had gewoond in het gebied bij Den Hoorn, in het zuiden van Texel, waar wij logeerden. Vanuit zijn woonkamer zag Wolkers in de verte het befaamde torentje van het kerkje van Den Hoorn. Zijn weduwe Karina woont er nog, aan de Rozendijk, waar je vanaf de weg alleen het atelier goed kunt zien.

De fietsroute, samengesteld door Wolkers’ biograaf Onno Blom, vermeldt om redenen van privacy het adres van Wolkers niet. Wel bevat het boekje een foto van de ronde, witte achterzijde van ‘Pomona’, zoals Wolkers zijn villa noemde. Die achterzijde is te zien – zonder de privacy te schenden – vanaf een zijweg, de Bakkenweg, honderden meters verderop. Het is een overvloedig groene, paradijselijke omgeving, zeker op zo’n mooie zomerdag.

Vanaf zijn huis kon Wolkers snel het strand bereiken bij Paal 12. Volgens Blom kwam hij er de laatste jaren van zijn leven veel. Hij zat op het terras van de strandtent terwijl Karina zwom. In deze strandtent verscheen Wolkers voor het laatst in de openbaarheid, bij de presentatie van zijn Boekenweekgeschenk Zomerhitte. Het is het type strandtent dat helaas aan het uitsterven is: geen opgetuigd restaurant, maar een simpel, laag gebouwtje, waar het nog naar pannekoeken en tomatensoep ruikt.

Het boekje van de fietsroute bevatte citaten uit Zomerhitte die zich hier afspeelden. Laat ik met het meest Wolkeriaanse volstaan: „Ze lag naakt te zonnen en ik bekeek haar door de telelens. Ik zag die prachtige billen van haar, bijna lichtgevend door het schelpenzand dat eraan kleefde. Kalfsvlees, om een bekend schrijver aan te halen.’’

We moesten verder – zo’n fietsroute schept verplichtingen. Naar Ecomare, de zeehondenopvang, waar Wolkers het zeehondje ‘Karina’ onderbracht dat hij tijdens een verblijf op Rottumerplaat gered had. Op 12 september 1971 ging Wolkers kijken hoe zijn zeehondje het maakte. Het bleek bang voor hem, kende hem niet zo gauw. „Maar later, als iedereen weg is, laat hij zich lekker door me strelen.’’

Déze Karina moet nu ook allang dood zijn. Maar doder dan die potvis in de voortuin van Ecomare kan het niet. In 1953 spoelde zijn reusachtige geraamte aan, het was danig aangetast door zout en wind. „We laten het hier rusten tot het is vergaan’’, schrijft het museum met gevoel voor melancholie op het bordje erbij.

We bereikten het plaatsje Den Burg. Daar staat in een vijver aan de Keesomlaan het Thijssemonument van Wolkers, een hommage in glas en staal aan de bioloog Jac. P. Thijsse. Het weegt 750 kilo en moest met een helikopter in het water worden gedropt. Hoe fors ook, in deze omgeving valt het te weinig op.

In het centrum van Den Burg volgde een onverwachte bekroning van onze tocht: boekhandel Het Open Boek, waar Wolkers regelmatig kwam, had een kleine tentoonstelling met grafisch werk van Wolkers. De boekhandelaar en zijn vrouw spraken met zoveel vuur over Wolkers dat ik ten slotte met handenvol boeken en geschriften van en over Wolkers – sommige gesigneerd door Karina zelf – hun pand verliet.