'Het is alsof je speed gebruikt'

Eigenlijk zijn alle films van de Braziliaanse regisseur Walter Salles roadmovies. Geen wonder dat hij na allerlei mislukte pogingen ‘On the Road’ wel wist te verfilmen.

Walter Salles is het liefste ‘on the road’. Niet alleen als filmmaker die voortdurend onderweg is om zijn films op internationale filmfestivals te presenteren. En niet alleen omdat de Braziliaanse bankierszoon een fanatiek amateurracer is. Het is meer dat de roadmovie het favoriete genre is van deze regisseur.

Eigenlijk zijn al zijn films roadmovies, vertelde hij voorafgaand aan het Filmfestival Cannes, waar vanochtend eindelijk zijn On the Road zijn wereldpremière beleefde. Of het nu zijn doorbraakfilm Central do Brasil (1998) was waarin een jongetje na de dood van zijn moeder op zoek gaat naar zijn onbekende vader. Of de film die de deuren naar de wereld opende: The Motorcycle Diaries (2004), over hoe Ernesto Guevara de la Serna de revolutionair Che werd. Geen wonder dus dat de in 1956 in Rio de Janeiro geboren regisseur degene is die het 55 jaar na zijn verschijnen voor elkaar kreeg om de iconische cultroman On the Road van de Amerikaanse beatpoet Jack Kerouac te verfilmen. Al ging ook daar een lange weg aan vooraf.

Het begon allemaal met de nog steeds niet helemaal voltooide documentaire In Search of on the Road, een lang verslag van zijn researchperiode met tientallen interviews met Kerouacs tijdgenoten. Niet vreemd als je bedenkt dat Salles in zijn werk voortdurend tussen speelfilm en documentaire heen en weer beweegt. „Elke roadmovie speelt zich af op het snijpunt van documentaire en fictie”, vertelde hij in Brussel. „Elke dag word je geconfronteerd met het onbekende. In het scenario kan wel staan dat het een prachtig dag is, maar als je je middenin een sneeuwstorm blijkt te bevinden, zal je toch een manier moeten vinden om dat in je film te incorporeren. Als je gaat zitten wachten tot de zon weer begint te schijnen ben je niet geschikt voor dit vak.”

Salles las On the Road voor het eerst als tiener en was diep onder de indruk: „Het ging over alles wat je mee wilt maken als je achttien bent, inclusief alles wat verboden is. Over grenzen overschrijden. Maar ook over verlies. Als je vooruitgaat, laat je altijd iets achter. Het boek gaat niet alleen over versnelling, maar ook over de pijn die daarna komt. Het is alsof je speed neemt, eerst gaat alles heel snel, maar de volgende dag kom je werkelijk op een laag punt, voordat je weer overnieuw kunt beginnen.”

On the Road is een echt coming-of-age-verhaal, het relaas van de vaderloze generatie na de Tweede Wereldoorlog, maar ook het verslag van hoe Jack Kerouac tot schrijven kwam, denkt Salles: „En On the Road gaat natuurlijk over vriendschap. Over de twee tegenpolen, Sal en Dean. De een leeft, de ander observeert. De een komt uit een tamelijk beschermde omgeving, de ander heeft op jonge leeftijd zijn moeder verloren en is op zoek naar zijn vader. Het waren allebei immigrantenkinderen en ze behoorden tot de eerste naoorlogse generatie die de toekomst vorm zou geven, al wisten ze op dat moment nog niet hoe. Ze waren rusteloos. Het was de tijd waarin ze 1.000 kilometer reden voor een goed gesprek, bijvoorbeeld met Bull Lee (William Burroughs), die ze inwijdde in de wereld van literatuur en drugs. Hun vriendschap loopt parallel met die reis, met die inwijdingsrite, die overgang van adolescent naar man. Aan het einde is dat voorbij. Dan kan Sal zijn boek gaan schrijven.”

Kerouac voert in zijn boek talloze bestaande figuren op, al geeft hij ze andere namen. Salles koos er bewust voor om van zijn film niet een grote wie-is-wie te maken. Dat is soms lastig, want een hedendaags publiek zal misschien niet meteen weten dat Sal Paradise Jack Kerouac is, zijn kameraad Dean Moriarty de jonggestorven Neal Cassady, Old Bull Lee, zoals gezegd mentor William Burroughs en Allen Ginsberg de bijnaam Carlo Marx kreeg, vanwege de marxistische achtergrond van zijn familie.

Ook de sociaal-historische achtergronden van die periode zitten er slechts terloops in. Salles: „Dat wilde ik niet op de voorgrond hebben. Je ziet Nixon op de televisie, dat moet genoeg zijn. Ik wilde niet dat je hem ook nog een van zijn beroemde statements hoorde maken. In de scènes in Harlem kun je zien dat ze de enige blanken zijn. Dat zegt iets over de rassenscheiding in die tijd. Aan de manier waarop de interieurs zijn ingericht kun je zien dat het een tijd is waarin consumptiegoederen hun intrede deden en massaproductie op gang kwam. Maar dat moet je zelf uit de film destilleren. Ik wil het er niet inwrijven. Dat is een vorm van cinema waar ik niet van hou.”