Egoïsme is essentieel in de wetenschap

Dubbel werk op kosten van de belastingbetaler dient te worden voorkomen – maar de wetenschap treedt deze open deur met voeten. Dit is terecht. De wetenschap drijft op concurrentie, stelt Ad Lagendijk.

Illustratie Ares

Natuurwetenschappers doen onderzoek dat meestal voor het overgrote deel wordt gefinancierd door de belastingbetaler. De volledige afhankelijkheid van de belastingbetaler lijkt niet te zijn doorgedrongen tot deze wetenschappers.

Gedreven door hun ego concurreren ze met elkaar. Ze houden hun resultaten soms achter, om er zelf nogmaals over te kunnen publiceren.

Wetenschappers proberen in publicaties de concurrentie niet wijzer te maken dan noodzakelijk is. Een collega die hun lab bezoekt, krijgt niet de jongste resultaten te zien.

Dit betekent niet dat onderzoekers niet samenwerken, maar in al die gevallen is deze samenwerking geen doel op zich. De samenwerkende groepsleiders zijn – uit goed begrepen eigenbelang – tot elkaar gekomen omdat ze elkaars expertise nodig hebben.

Een voor de hand liggende en sympathiek ogende beleidskeuze voor een beleidsmaker is het opleggen van meer samenwerking. Zo heeft het merendeel van de Europese programma’s om onderzoek te financieren als belangrijkste doelstelling het stimuleren van meer samenwerking.

Als alle mensen zouden samenwerken, zou er geen oorlog zijn, zou er geen concurrentie zijn en zou er geen behoefte zijn aan het beschermen van uitvindingen. Zo naïef doorredenerend kom je uiteindelijk uit bij de linkse heilstaat. Hiervan zijn we overtuigd geraakt dat hij leidt tot een communistische dictatuur. Het Westen – en niet het Westen alleen – heeft zijn les geleerd en richt zijn naties in op basis van een kapitalistisch economisch stelsel, met eigendomsrecht en concurrentie als belangrijkste steunpilaren.

Wat drijft onderzoekers? Nieuwsgierigheid. De wereld willen verbeteren. Kennis willen bijdragen. Jonge mensen willen opleiden. Zonder al deze deugden kan een wetenschapper niet slagen, maar hierbij blijft het niet. Ook geldingsdrang is vereist. Beroemd willen worden. Iets voor de eerste keer willen ontdekken.

In de filosofie werden deze ijdelheden vertaald in de noodzaak om te falsificeren. Volgens de Oostenrijks-Britse filosoof Karl Popper ligt de vooruitgang in de wetenschap in het falsificatieprincipe – de voortdurende wil om eerder gevonden resultaten onderuit te halen. Nog beter voelt het om de eerste te zijn en aan anderen de eer te laten de fouten in je resultaten te ontdekken.

Hoe meer onderzoekers in grote verbanden samenwerken, hoe politieker en bureaucratischer het geheel wordt. Bij onderzoek van uitzonderlijk grote schaal, zoals onderzoek met de reuzetelescopen in Chili of met faciliteiten van het Europese onderzoekscentrum CERN, is het reproduceren van de experimenten onbetaalbaar. Toch dient enige vorm van concurrentie te worden georganiseerd. Bij ontstentenis van concurrentie gaan deelnemers aan grote verbanden stemmen over de wetenschappelijke resultaten, maar wetenschap is geen democratie. De meerderheid heeft het geregeld bij het verkeerde eind.

Niet gehinderd door kennis over de wetenschap willen politici en beleidsmakers toch dat er meer wordt samengewerkt, om in een vlaag van tegenstrijdigheid elke herfst weer teleurgesteld te zijn als er geen Nobelprijs naar Nederland is gegaan. Niemand van hen is dan nog geïnteresseerd in het gegeven dat die sociaal-intelligente Nederlandse wetenschappers zo goed hebben samengewerkt met de prijswinnaar.

In de geest van de moderne sociale media – share with your friends – wordt de vraag ‘van wie zijn die gegevens die wetenschappers op kosten van de belastingbetaler hebben verkregen?’ steeds vaker gesteld. Dienen deze gegevens niet vrij toegankelijk te zijn (‘open data’), onder meer om dubbel werk te voorkomen, om meer wetenschappelijke samenwerking te stimuleren en om de onderzoekers beter te kunnen controleren?

Wetenschappers zijn – in het belang van de wetenschap en uit eigenbelang – evenwel alleen bereid hun gegevens vrij te geven als ze deze zelf niet meer nodig hebben voor vervolgstudies, en dan alleen aan vakgenoten en zeker niet aan journalisten, bloggers, twitteraars of Facebookers en de belastingbetaler. Het vermogen om die gegevens te kunnen interpreteren, vereist vakkennis.

Het klinkt zo sympathiek: resultaten delen – maar waar houdt het op?

Mogen Amerikanen resultaten inzien dat is verkregen met onderzoek dat betaald is door de Duitse belastingbetaler? Moet ik iedere Nederlandse wetenschapper toelaten die de apparatuur van onze onderzoeksgroep wil gebruiken? Waarom zouden jonge onderzoekers zich nog inspannen voor hun onderzoek als een ander er straks de sier mee maakt?

Om de wetenschap strak en scherp te houden, concurreren wetenschappers met elkaar en wordt er dubbel werk verricht om de belastingbetaler de beste waar te geven voor zijn geld.

Ad Lagendijk is universiteitshoogleraar aan de UvA, groepsleider van het FOM-Instituut AMOLF en hoogleraar natuurkunde aan de Universiteit Twente.