De Afrikaan als antiheld

Videokunstenaar Nicolas Provost maakte de overstap van het museum naar de bioscoop. „Ik speel graag met de codes van de cinema.”

De Vlaming Nicolas Provost heeft een grote naam als videokunstenaar. In zijn eerste speelfilm, die in première ging op het filmfestival van Venetië, gebruikt hij dezelfde expressieve, soms sensuele beelden die we kennen uit zijn videokunst om het verhaal te vertellen van de illegaal Amadou, die een nieuw bestaan probeert op te bouwen in Brussel. The Invader begint met een provocatief openingsshot tussen de benen van een vrouw, die naakt ligt te zonnen op het strand waar Amadou aanspoelt, en eindigt als een ware nachtmerrie, als hij in Brussel langzaam de greep op zijn bestaan kwijtraakt.

Uw eerste speelfilm kende een heel lange aanloop. Waarom?

„Ik wist al heel jong dat ik niet naar een filmacademie wilde. Ik zag er het nut niet van in om op mijn achttiende naar een filmschool te gaan, want ik had nog niks te vertellen. Dat was ook de tijd dat je op de filmacademie heel veel theorie kreeg en weinig praktijk. Ik heb ervoor gekozen om naar de kunstacademie te gaan om om me daar op mijn eigen manier te ontwikkelen. Maar ik begon vrijwel meteen te werken met film.

„Dat bleek een gat in de markt, want ik maak geen conceptuele kunst voor video-installaties. Ik heb er altijd grote schrik voor gehad de kijker te vervelen, juist door mijn liefde voor speelfilm. Daarom zorg ik ervoor dat elke seconde van mijn werk vol is, dat er audiovisueel veel te beleven valt. Ik speel met de codes van cinema, probeer daar mijn eigen poëzie van te maken. Ik vind het fascinerend dat iedereen op de hele wereld dezelfde filmopvoeding heeft gekregen, we delen dezelfde dromen. Ik gebruik die referenties, omdat ik de mensen wil ontroeren. Ik ben niet zo’n kunstenaar die vindt dat kunst niet esthetisch of emotioneel mag zijn. Integendeel.”

Uw vertelt een sociaal-geëngageerd verhaal, tegelijk zijn de beelden heel esthetisch, erotisch soms. Dat levert een nogal ontregelende kijkervaring op.

„Veel journalisten vinden het moeilijk om de film in een doosje te passen. Ik heb dat niet met opzet gedaan, maar ik hou inderdaad van het spel tussen koud en warm. Voor mij hoeft de hoofdpersoon van een film ook niet altijd een ontwikkeling door te maken. Een film hoeft ook niet hoopvol te eindigen. Dat heeft iets leugenachtigs.”

Waarom was nu de tijd rijp voor uw eerste speelfilm?

„Dat begon met Isaka Sawadogo, de hoofdrolspeler. Ik had met hem al twee korte films gemaakt. Ik dacht: als ik ooit een lange film maak, dan schrijf ik die voor hem, omdat hij zo’n sterk persoon is. Toen ik begon te schrijven, alweer zes jaar geleden, was de discussie over minderheden in België heel actueel. Maar ik wilde niet het zoveelste sentimentele portret maken van een migrant. Ik snap echt niet waarom de Afrikaan of de migrant altijd maar wordt afgebeeld als lijdend figuur en alle schuld op de westerse maatschappij wordt afgeschoven. Migratie is er altijd geweest, al sinds Adam en Eva. Dat heeft altijd tot tragiek geleid. Ik wil daar helemaal geen oordeel over geven, maar simpelweg de Afrikaan afschilderen als een antiheld die zijn plaats probeert te vinden. Voor mij is de antiheld het mooiste filmpersonage omdat hij het dichtst bij de echte mens komt.”

Vanwaar die titel, The Invader (de indringer)?

„Dat is natuurlijk een beetje provocerend. Hopelijk vergeet je na twee minuten dat je naar een Afrikaan zit te kijken. Hij is gewoon een man die probeert iets van zijn leven te maken. We moeten mensen die in moeilijke omstandigheden verkeren helpen, dat spreekt vanzelf. Maar we moeten ophouden onszelf voortdurend een enorm schuldgevoel aan te praten. Daar heeft niemand wat aan. Tot nu toe heb ik nog geen enkel verwijt gehad dat ik de Afrikaan criminaliseer. Hoewel ik me er terdege van bewust van ben dat ik daar een beetje mee flirt.”

Hoe heeft uw kunstachtergrond u geholpen als filmregisseur?

„Dat heeft me zeker geholpen om mijn taal te vernieuwen, om mijn eigen poëzie te vinden. Mijn kunstfilms maken eerst een reis langs filmfestivals, maar komen uiteindelijk terecht in galeries en worden daar ook verkocht, aan verzamelaars en musea. Ik had nooit gedacht dat ik van mijn korte werk kon leven, maar daar verdien ik mijn geld.”

Meer beeldend kunstenaars vallen op met goede films de laatste jaren: Steve McQueen, Julian Schnabel. Hoe komt dat?

„Shame is een van de mooiste films die ik de laatste jaren heb gezien. De overeenkomst is misschien dat iemand als Steve McQueen, maar ook ikzelf heel picturaal werkt: we doen meer met kleur, met compositie. Dat heeft ook een emotionele dimensie, die een tijd lang niet bon ton was.”

Is het openingsshot tussen de benen van een vrouw inderdaad een hommage aan het beroemde schilderij van Courbet, L'origine du monde?

„Zeker. Courbet wilde met zijn schilderij tegen de schenen van de politieke correctheid van zijn tijd trappen. De vrouw werd in de kunst zeer academisch gerepresenteerd. Het hele lichaam was gladgemaakt, wat we nu met Photoshop doen. Dat was de echte pornografie en daar ging Courbet tegenin. Fantastisch.”