Bloeiend Oost-Timor tart de verwachtingen

Oost-Timor viert deze week dat het tien jaar onafhankelijk is. Het ging onverwacht goed met het nieuwe land, maar straks is het oliegeld op. En dan wachten onzekere tijden.

In het huis van Joao Virgilio Teles staan de karaokeset, de televisie en de TL-lamp al klaar. Binnenkort krijgt hij voor het eerst elektriciteit, hoopt de secretaris van het dorp Talitu. Hier, in de heuvels ten zuiden van de hoofdstad Dili, zijn vorig jaar gloednieuwe hoogspanningskabels aangelegd. Nu is het wachten tot de huizen worden aangesloten.

Er is meer. Talitu heeft nu schoon water. En een toilet. De bochtige weg langs het dorp wordt rechtgetrokken en verbreed. Dorpelingen zelf zijn in de weer met emmers water en verhitte stenen om de nieuwe rijstrook te verharden. „Er gebeuren veel nieuwe dingen in het dorp. Er is vooruitgang”, zegt Teles.

Dat is ook precies het beeld dat de Timorese autoriteiten de wereld willen voorzetten, nu het land dezer dagen de tiende verjaardag van zijn onafhankelijkheid viert.

Ook in Dili zijn de veranderingen overal zichtbaar. Sinds een jaar valt de stroom niet langer elk moment uit. Mobiele telefoons hebben nu ook buiten de stad bereik. En sinds oktober is Timor Plaza open. De eerste shopping mall van Oost-Timor, waar een ontluikende middenklasse voorzichtig het begin creëert van een consumptiemaatschappij.

Het is niet lang geleden dat de eerste nieuwe staat van dit millennium leek af te stevenen op een mislukking. Oost-Timor begon op nul, na een traumatische afscheiding van Indonesië. In 2006 brak bijna burgeroorlog uit: er vielen 25 doden en 150.000 Oost-Timorezen sloegen op de vlucht. Australische militairen moesten de orde herstellen.

Iedereen verklaarde Tony Jape voor gek, toen hij in 2007 begon met de ontwikkeling van Timor Plaza, vertelt de zakenman. Hij heeft tot nu toe 24 miljoen dollar geïnvesteerd. „Ik deed het omdat ik Timorees ben en mijn land wilde helpen. Een normaal bedrijf had toen niet besloten een winkelcentrum te bouwen.”

Jape had geluk: er kwam een stabiele regering. Een moordaanslag op de president leidde niet tot chaos. Hij breidt Timor Plaza nu uit, zodat Timorezen straks op het dakterras kunnen dineren. Ernaast staat het betonnen skelet van de eerste bioscoop van het land.

Oost-Timor lijkt zijn gewelddadige verleden achter zich te laten, daarover zijn binnen- en buitenlandse waarnemers het eens. Eind dit jaar vertrekt de stabiliteitsmacht van de Verenigde Naties, die sinds 2006 fungeert als politie.

De aandacht kan nu uitgaan naar ‘gewone’ derdewereldproblemen, zoals het feit dat 40 procent van het land onder de armoedegrens leeft. De regering pakt dat voortvarend aan. Volgens critici té voortvarend.

De regering betaalt bijna alles met oliegeld. Tussen Oost-Timor en Australië ligt een olieveld dat het land dit jaar zo’n 2,8 miljard dollar oplevert. Het leeuwendeel daarvan spaart het in een fonds naar Noors model, waar nu 10 miljard dollar in zit.

Maar de regering kiest er in toenemende mate voor om geld uit te geven. Voor dit jaar is zij van plan 1,7 miljard dollar uit het fonds te halen, meer dan twee keer zoveel als duurzaam zou zijn. Oost-Timor sluit dit jaar zelfs zijn eerste leningen af.

„Het was een behoorlijk moeilijke keuze voor ze”, zegt Craig Sugden, lokaal hoofd van de Asian Development Bank, dat een van de leningen heeft verstrekt. „Ga je zitten wachten op ontwikkeling, met het risico dat het leidt tot instabiliteit?”

Met de investeringen hoopt de regering te bereiken dat Oost-Timor ook de rest van zijn economie ontwikkelt. Nu is het nog het meest olie-afhankelijke land ter wereld, na het nóg nieuwere Zuid-Soedan. Van de overheidsinkomsten komt 95 procent uit olie.

Maar de vrees bestaat dat de regering te gemakkelijk geld uitgeeft aan onnodige projecten. Zoals een snelweg aan de dunbevolkte zuidkust, waar plannen voor worden gemaakt. „Volgens onze tellingen rijden daar nu honderd auto’s per dag”, zegt Charles Scheiner van ontwikkelingsorganisatie La’o Hamutuk. In het zuiden moeten drie nieuwe steden verrijzen voor de olie-industrie, compleet met LNG-fabriek en raffinaderij. Een droom, zegt Scheiner. Het is lang niet zeker dat olie of gas ooit naar het vasteland komen.

Ook is er zorg dat de regering te veel geld steekt in infrastructuur en te weinig in haar mensen. Want beter onderwijs is broodnodig. Jaren van conflict hebben Oost-Timor opgezadeld met een uiterst laagopgeleide beroepsbevolking. Winkels en restaurants worden gerund door buitenlanders, die hun Oost-Timorese personeel geduldig uitleggen hoeveel wisselgeld ze moeten geven. Ondernemer Jape moest schilders en metselaars uit Indonesië halen om Timor Plaza te kunnen bouwen.

Daarbij is personeel relatief duur, door de instroom van oliegeld in de economie. Het maakt dat het land moeilijk kan concurreren met de buitenwereld. Zoals Jape zegt: „Een bevroren kip uit Brazilië kost 3,50. Een kip van hier kost 12 dollar, en die moet je nog zelf slachten ook.”

De tijd dringt voor Oost-Timor, want de olie is niet oneindig. Het is geen Brunei. Het huidige olieveld blijft in productie tot 2024. Over een nieuw veld onderhandelt Oost-Timor nog met Australië. En verder is er nog niets gevonden. La’o Hamutuk laat in angstaanjagende grafiekjes zien hoe het oliefonds over tien jaar leeg is, als de regering in hetzelfde tempo geld blijft uitgeven. Net wanneer de internationale leningen moeten worden terugbetaald.

Zo is de toekomst van Oost-Timor vol onzekerheden. Maar nu heerst optimisme. Tien jaar na de onafhankelijkheid lijkt het land zich niet in het rijtje van falende staten te voegen. En gezien de recente geschiedenis, is dat al heel wat.