Zelfoverschattingseffect

Hoeveel vertrouwen kunnen we in onze eigen kennis hebben? Daarvoor geef ik je een kleine opgave: ‘Tsarina Catharina II van Rusland stond niet bekend om haar kuisheid. Talloze minnaars kronkelden in haar bed. Geef de marge van het aantal minnaars van de tsarina, maar je moet met je schatting voor 98 procent goed en maar voor 2 procent fout zitten’. Een dergelijke marge is bijvoorbeeld van 20 tot 70. Dat betekent dat je schatting is dat Catharina niet minder dan 20 en niet meer dan 70 minnaars had.

Nassim Taleb, die mij een keer precies dezelfde opgave gaf, heeft honderden mensen op die manier ondervraagd. Nu eens vroeg hij hen naar de lengte van de Mississippi, dan weer naar het kerosineverbruik van een Airbus of het inwonertal van Burundi. Daarbij mochten ze de marge zelf kiezen, waarbij ze er, zoals gezegd, hoogstens 2 procent naast mochten zitten. Het resultaat was verbazingwekkend: niet slechts 2 procent, maar wel 40 procent van de ondervraagden zat er met de door hen geschatte marge naast. Onderzoekers Marc Alpert en Howard Raiffa, die als eersten op dit verbazingwekkende verschijnsel zijn gestuit, noemden het overconfidence – zelfoverschatting dus.

Hetzelfde geldt voor prognoses. Bij schattingen van beurskoersen voor het komende jaar of van de verwachte omzetten in het driejarenplan van een bedrijf treedt hetzelfde effect op. We overschatten systematisch onze kennis en onze vaardigheid in het voorspellen en niet zo’n beetje ook. Bij het zelfoverschattingseffect kijken we niet of een afzonderlijke schatting klopt. Het effect van zelfoverschatting meet het verschil tussen wat mensen werkelijk weten en dat wat ze denken te weten. Pas echt verrassend is dat deskundigen nog meer last hebben van het zelfoverschattingseffect dan niet-deskundigen. Een hoogleraar economie zit er bij een schatting van wat de olieprijs de komende vijf jaar doet net zo naast als een niet-econoom. Over zelfoverschatting gesproken!

Het effect doet zich ook voor bij andere vaardigheden. In enquêtes zegt 84 procent van de Franse mannen een bovengemiddeld goede minnaar te zijn. Zonder het zelfoverschattingseffect moet het precies 50 procent zijn – logisch, want ‘gemiddeld’ betekent nu eenmaal in het midden en dus moet 50 procent erboven liggen en 50 procent eronder.

Ondernemers zijn net als trouwlustigen: ze zijn ervan overtuigd buiten de statistiek te vallen. De economische activiteit lag lager als er geen sprake was van zelfoverschatting. Iedere restauranteigenaar droomt ervan een driesterrenrestaurant te exploiteren – en de meesten sluiten hun zaak na drie jaar alweer.

Er bestaat nauwelijks een miljoenenproject dat sneller en goedkoper wordt afgeleverd dan voorzien. Legendarisch zijn de vertraging en de kostenoverschrijding bij de Airbus A400M, bij het operagebouw van Sydney en bij alle drie de Gotthardtunnels. De lijst is naar believen uit te breiden.

Waarom is dat zo? Hier spelen twee effecten tegelijk. In de eerste plaats het klassieke zelfoverschattingeffect. In de tweede plaats een onderschatting van de kosten door mensen die direct belang hebben bij het project. Consultants hopen op vervolgopdrachten, bouwondernemingen en leveranciers idem dito, opdrachtgevers voelen zich gesterkt door de optimistische cijfers en politici kunnen er stemmen mee winnen.

Drie opmerkingen ter afsluiting. A. Het tegendeel, een ‘zelfonderschattingseffect’, bestaat niet. B. Bij mannen is het zelfoverschattingseffect uitgesprokener dan bij vrouwen – vrouwen overschatten zichzelf minder. C. Niet alleen optimisten lijden onder het zelfoverschattingeffect, ook zelfverklaarde pessimisten overschatten zichzelf – alleen minder.

De Zwitserse schrijver Rolf Dobelli schrijft wekelijks over denkfouten. Binnenkort verschijnt bij De Bezige Bij van zijn hand De kunst van het heldere denken. 52 denkfouten die u beter aan anderen kunt overlaten