Wat markten willen, vinden burgers onverteerbaar

De oprichting van het permanente Europese noodfonds ESM, dat een einde moest maken aan alle onzekerheid over de redding van de euro, hapert. In verschillende lidstaten is er kritiek op het fonds. Een botsing dreigt tussen een slagvaardig Brussel en nationale parlementen die meer zeggenschap willen.

De financiële markten hebben, zoals bekend, weinig vertrouwen in de crisisbestrijding van de eurozone. Maar burgers lijken er ook steeds minder fiducie in te hebben. In maar liefst vier eurolanden loopt de goedkeuring van het permanente noodfonds ESM, dat in juli van start moet gaan, misschien vertraging op: Nederland, Estland, Duitsland en Ierland. De vraag rijst: is de geloofwaardigheid die economen en politici zo desperaat willen bewerkstelligen in de eurozone, wel verenigbaar met de moderne democratie? Als de markten iets willen – zoals het ESM – verzetten de burgers zich. En omgekeerd.

Het European Stability Mechanism moet op den duur het tijdelijke noodfonds EFSF vervangen. Dat fonds heeft tot nu toe geld geleend aan Ierland, Portugal en Griekenland (alleen het tweede leningenpakket, dat in maart werd goedgekeurd). Omdat het EFSF beperkte bevoegdheden en een beperkte financiële capaciteit heeft, besloten de regeringsleiders begin 2011 al dat er een permanent fonds moest komen. Dit fonds zou groter worden en meer mogen doen dan hetEFSF. Bovendien zou het drijven op contant geld en niet, zoals het EFSF, op financiële garanties. De politici gingen ervan uit dat ze daarmee beleggers meer vertrouwen in de eurozone gaven. Zo’n stevige firewall, zei de Luxemburgse premier en eurogroepvoorzitter Jean-Claude Juncker, zou bewijzen dat „wij alles doen om de stabiliteit van de euro te beschermen”.

Als er één moment is waarop de eurozone die firewall moet optrekken, is het nu. Of Griekenland in de eurozone blijft, is onzeker. Spanje houdt met wankelende banken het hoofd nauwelijks boven water. Investeerders vluchten al maanden de zuidelijke eurozone uit. En uitgerekend nu er iets van een financieel antwoord komt – in de vorm van het ESM – rijzen er problemen in diverse eurolanden.

In Duitsland stapte een voormalige minister van Justitie naar de rechter. Ze vindt dat het ESM „een rode lijn overschrijdt”, omdat het nationale parlementen de macht ontneemt om het laatste woord over nationale begrotingen te hebben. Ierland houdt eind mei een referendum over het ESM, omdat ook daar vragen rijzen over soevereiniteitsoverdracht. In Estland diende de ombudsman een klacht in, omdat landen straks in noodgevallen niet meer unaniem hoeven te beslissen om het ESM te laten optreden. Als snelheid echt geboden is, is goedkeuring door 85 procent van alle meebetalende landen genoeg, naar rato van hun financiële gewicht. Eén groot land als Duitsland of Frankrijk kan het ESM dus blokkeren. Een klein land als Nederland of Estland niet. Dat vindt deze ombudsman niet eerlijk. De parlementen in Frankrijk, Portugal, Griekenland en Slovenië hebben het ESM goedgekeurd.

Oorspronkelijk wilden euroleiders dat het ESM in de plaats zou komen van het EFSF, waar de markten niet genoeg vertrouwen in hadden. Maar door de schuldencrisis, die afgelopen winter extra gevaarlijke dimensies kreeg omdat er een bankencrisis overheen kwam (de tweede sinds 2007-2008), besloten de ministers van Financiën eind maart dat de niet-gebruikte middelen uit het EFSF langer gebruikt kunnen worden. Het gaat om ongeveer 200 miljard euro aan financiële garanties, die twee jaar langer beschikbaar blijft.

Maar tegelijkertijd heeft het ESM tijd nodig om op sterkte te komen. Het ESM draait immers op contant geld. Door de crisis is het onmogelijk alle landen te vragen het hele bedrag in één keer in te leggen. Dit gebeurt dus gefaseerd. Vandaar dat de optelsommen die de ministers in maart maakten voor EFSF en ESM – „circa 800 miljard euro”, schreven zij in een gemeenschappelijke verklaring – te optimistisch zijn. Er zal op enig moment hooguit 500 miljard opvraagbaar zijn. Genoeg voor de Spaanse banken, vermoedt men. Maar blijft het bij de Spaanse banken?

Eén van de gebreken van het EFSF is dat het alleen aan eurolanden mag lenen die financieel onderuitgaan. De rest moest de Europese Centrale Bank opknappen, direct of indirect: leningen aan noodlijdende grote banken, preventieve kredietlijnen aan landen juist om uitglijden te voorkomen (wat het IMF ook doet) en direct opkopen van staatsobligaties als dit van belang is voor de stabiliteit van de eurozone. Om de ECB te ontlasten mag het ESM deze dingen wel gaan doen. In noodgevallen is 85 procent van de stemmen dus genoeg. Directe aanleiding voor deze uitzonderingsregel is dat interne politieke akkefietjes in kleine landjes als Finland en Slowakije het EFSF vorig jaar wekenlang verlamden.

Op de financiële markten werd positief op deze beslissingen gereageerd, al vond men de firewall lang niet hoog genoeg. Analisten van grote banken vonden dit systeem slagvaardiger dan het bestaande. Voor hen was er eindelijk iets van een „gemeenschappelijk beheer” van de euro aan het ontstaan. Maar hun vertrouwen en dat van Europese burgers lijken elkaar wederzijds uit te sluiten. Wat markten willen, vinden burgers onverteerbaar: Europese besluitvorming over één Europese munt. Het systeem waar veel burgers zo aan hechten, namelijk nationale soevereiniteit, vinden beleggers juist te onzeker. Die hebben veilige, eenduidige contracten nodig. Zij achten hun centen niet veilig in de eurozone als één nationale parlementariër Europese besluiten kan blokkeren of torpederen.

Dit pijnlijke dilemma, acuter naarmate de eurocrisis verder op de spits wordt gedreven, werd laatst door columnist John Kay in de Financial Times al prachtig beschreven: „De verheffing van geloofwaardigheid tot centrale economische doctrine (…) is onmogelijk in een moderne democratie. Erger nog, pogingen om die geloofwaardigheid te bereiken, bedreigen de democratie.”

Dit zou, in Nederland en in de andere landen, weleens de werkelijke inzet van de problemen rond het ESM kunnen zijn.