Kunstsector krijgt er alweer van langs

Gisteren kwam de Raad voor Cultuur met zijn advies over de verdeling van rijkssubsidie. Een van de grootste verliezers is het Rijksmuseum.

Rotterdam. Het is alsof de kunstsector voor de tweede keer billenkoek krijgt. Eerst was er de forse bezuiniging van 200 miljoen en de kritiek op het gebrek aan ondernemerschap door het demissionaire kabinet. Gisteren bracht de Raad voor Cultuur het advies over het verdelen van de 309 miljoen euro subsidiegeld voor cultuur die er overblijft na de bezuinigingen van het kabinet. In het advies staat het oordeel over 118 aanvragen. Nog geen kwart wordt zonder meer ingewilligd. Het advies ging vergezeld van stevige kritiek op hun in veel gevallen „onrealistische” houding.

Zo kost een slecht geschreven subsidieaanvraag het Rijksmuseum een half miljoen euro. De Raad voor Cultuur noemt het plan dat het museum heeft ingediend „onder de maat”. Daarom adviseert de Raad het kabinet het museum met 5,6 procent te korten, in plaats van de 2 procent die wordt gekort op de beste musea. Voor het Rijksmuseum resteert nu jaarlijks een bedrag van 26 miljoen euro.

„Er is vaak hoog, soms onrealistisch hoog, ingezet als het om prognoses en verwachtingen gaat”, stelt de Raad. Dat de professionaliteit van het management lang niet altijd goed genoeg is, noemt de Raad als een punt van zorg.

Hoe weinig realistisch een deel van de plannen is, blijkt uit een optelling van alle beoogde bezoekcijfers die de raad heeft gemaakt. Die leidt tot bijna hilarische cijfers. Alle instellingen samen denken 34 procent meer bezoek te trekken. Toneel- en jeugdtheatergezelschappen verwachten zelfs een stijging met 90 procent. Het publiek zou daar 42 miljoen euro meer aan uitgeven. Of zoals voorzitter Daalmeijer het uitdrukt: „In sommige steden zou iedere inwoner zo ongeveer elke avond naar het theater moeten gaan.” Kennelijk leidt de aanmoediging van de overheid om meer te gaan ondernemen en meer geld zelf te verdienen vooral tot mooie dromen.

Aan slecht uitgewerkte voorstellen verbindt de Raad voor Cultuur consequenties. Ruim twintig instellingen moeten hun huiswerk overdoen. Zij krijgen bijvoorbeeld alleen subsidie als ze dit jaar nog een nieuw plan opstellen. Dat geldt bijvoorbeeld voor het Rijksmuseum en het Residentie Orkest. Rijksmuseum-directeur Wim Pijbes noemt het advies „aanmatigend” en „niet serieus te nemen”. „Het is onmogelijk om al onze activiteiten voor de komende vier jaar te beschrijven op een gestandaardiseerd ‘belastingformulier’ van 7.500 woorden.”

Met 5,6 procent bedraagt de schade voor het Rijks overigens nog minder dan de korting van 11 procent die musea als Het Mauritshuis (geen vernieuwende plannen na heropening) of Paleis het Loo („Het museum onderneemt als een boekhouder”) krijgen.

De rest van de grote culturele instellingen blijven in het advies grotendeels gespaard. Instellingen als Toneelgroep Amsterdam, Het Nationale Ballet en het Koninklijk Concertgebouworkest krijgen de subsidies die ze hadden aangevraagd.

In totaal hadden 36 musea een aanvraag ingediend. Ze vroegen samen 11,2 miljoen euro meer aan dan de 142 miljoen euro die het Rijk beschikbaar voor hen stelt. Zes nieuwe aanvragers, waaronder het Cobra Museum en het Theater Instituut Nederland, dat nog geen museum is maar dat wel wil worden, krijgen geen subsidie. Vijf musea, waaronder Rijksmuseum Twente, krijgen alleen nog geld om de collectie te beheren en niet meer om het museum open te stellen voor het publiek.

Met de besluiten laat de Raad voor Cultuur zien voor een pragmatische werkwijze te hebben gekozen. Culturele instellingen moeten zich aanpassen aan de nieuwe tijden en als hun plannen daarvoor onvoldoende zijn krijgen ze een waarschuwing.

De Raad heeft wel degelijk ook harde kritiek op het bezuinigingsbeleid van de staatssecretaris. De bezuinigingen schaden het hart van de Nederlandse cultuur, essentiële culturele instellingen komen in een kwetsbare positie en de rijke verscheidenheid van de kunstwereld komt in gevaar.

Daarnaast klaagt de Raad dat de regels die het ministerie had opgesteld voor het verdelen van de subsidies inflexibel zijn. Zo had het ministerie voor podiumkunsten en de beeldende kunst van tevoren bepaald hoeveel plekken er te verdelen waren en hoeveel subsidie er maximaal per plek mocht worden verstrekt. Vrijwel alle instellingen vroegen het voor hen beschikbare normbedrag aan. Voor de raad waren er daardoor weinig mogelijkheden om instellingen financieel te belonen voor hun goede plannen, of juist te straffen.

Door de inflexibele regels is van het kabinetsplan om de culturele instellingen zoveel mogelijk over het land te spreiden weinig terechtgekomen. Neem de presentatie-instellingen. Voor negentien aanvragen konden er zes gehonoreerd worden. Dat betekent dat er op elf plekken in het land subsidiegeld wegvalt.

De Raad gaat de politiek de komende tijd stevig onder druk zetten. Er komen adviezen aan over talentontwikkeling, cultureel ondernemerschap, cultuureducatie, het museumbestel, een nieuw beoordelingssysteem voor de culturele instellingen en over een andere inrichting en timing van de volgende subsidieronde. De raad speelt zo in op de nieuwe politieke realiteit. Een nieuw kabinet zal de forse bezuinigingen op cultuur niet meer ongedaan maken. Maar de accenten kunnen in een nieuwe coalitie anders worden gelegd. Daalmeijer is met zijn Raad de lobby al begonnen.