Het verhaal van Europa, gezien door een autoruit

De langste snelweg van Europa, de E40, loopt van Frankrijk naar Kazachstan. Lynn Berger rijdt de weg van begin tot eind. Vandaag aflevering één: de Europese wegendroom.

De langste snelweg van Europa begint terloops: als oprit van een rotonde in de Franse havenplaats Calais, met op rechts een klein bosje, links een Kentucky Fried Chicken en troosteloze nieuwbouw in de achteruitkijkspiegel. Pas wanneer je de afslag neemt en oostwaards rijdt verschijnen borden die vertellen dat dit de E40 is – een weg die hier zes banen telt en hoofdzakelijk wordt bevolkt door vrachtwagens. Van Dongen Transport uit Aalsmeer, Spedition und Logistik uit Duitsland, trucks uit Bulgarije, Ierland, Polen, Frankrijk. Rechts raast een volkstuinencomplex voorbij; de lucht is grijs en de elektriciteitsmasten aan de horizon lijken op marionetten in rust, hun kabels als koorden die wachten tot een reuzenhand hen tot leven wekt.

Een non-descript begin, van een weg die sowieso weinig beroemd is. Nu is roemloosheid het lot van de meeste wegen – Route 66 en de Pacific Coast Highway spreken tot de verbeelding, maar die liggen in Amerika en in Amerika is autorijden Volkssport Nummer Eén – maar wie deze E40 blijft volgen, eindigt uiteindelijk in Ridder, Kazachstan, vlakbij de Chinese grens. Het is de langste route van het Europese E-netwerk, in 1950 in het leven geroepen door de Europese Economische Commissie van de Verenigde Naties. Na twee wereldoorlogen dachten ze in Genève dat vrij internationaal vervoer van goederen en mensen met economische vooruitgang, vrede en stabiliteit gepaard zou gaan.

„Begin bij het begin”, zei de Koning van Wonderland ooit tegen Alice, „en ga door tot aan het einde: stop daar.” Alice kon weinig met dat advies, maar het is precies goed voor wie benieuwd is naar wat zich afspeelt aan deze weg, die ruim 8000 kilometer lang is en West- en Oost-Europa met Rusland en Centraal-Azië verbindt. Wie zijn de mensen die eroverheen rijden, eraan wonen, eraan werken? Hoe veranderen het wegdek, de wegrestaurants en het landschap? En als deze grauwe rotonde in Calais het begin is, hoe ziet het einde er dan uit?

Op een grijze vrijdagochtend beginnen mijn lief en ik aan een roadtrip die deze vragen moet beantwoorden. Tomtom reist met ons mee – of wij met hem, het is maar hoe je het bekijkt. Oezbekistan, Kazachstan en Kirgizië bestaan niet voor tomtom en Oekraïne en Rusland zijn slechts voor „achtendertig komma acht procent” in kaart gebracht – maar de eerste drieduizend kilometer worden we bijgestuurd door een Britse meneer die ons vraagt te keren wanneer mogelijk, of bij de rotonde rechtdoor te gaan.

Een navigatiesysteem lijkt overbodig voor wie immer gerade aus wil gaan, maar de lijn die in Genève op een kaart is gezet, vertaalt zich niet naar één lange, uniforme strook asfalt: de E40 is eigenlijk geen weg, maar een route. Hier in Frankrijk heet de E40 bijvoorbeeld ook A16; straks in Duitsland heet ie 44. In theorie moeten die wegen overal van hetzelfde kaliber zijn en moet overal het rechthoekige, groen-met-witte E40-bordje staan, maar de European Agreement on Main International Traffic Arteries is vooral een intentieverklaring en de praktijk is weerbarstig.

Het Noord-Franse landschap lijkt teleurstellend veel op dat van Nederland: platte weilanden, blote boompjes. Net voorbij de grens met België wordt een fietstunnel aangelegd. Een geelgebloemd koolzaadveld – biobrandstof in wording – luistert de grijsbruine omgeving op. Via Brussel – waar de E40 de ring is – en Luik rijden we naar Duitsland: spekglad asfalt en geen snelheidslimiet. Wat begon als zes banen zijn er nu vier, en soms twee; vanaf Oost-Duitsland wordt het landschap glooiend en groen. De dorpjes doen denken aan speelgoed dat over een lappendeken is uitgestrooid en vervolgens vergeten door het kind dat er grootse plannen mee had.

Na een nacht in Eisenach, geboorteplaats van Johann Sebastian Bach en net zo degelijk als die eer doet vermoeden, rijden we door naar Polen, waar het wegdek minstens zo glad is – en gloednieuw. Af en toe wordt de E40 door werkzaamheden gereduceerd tot één baan: stapvoets passeren we graafmachines, mannen in oranje hesjes, en in de berm steevast een blauw bord met gele sterren – de EU timmert hier aan de weg.

De eerste stop in Polen is Wroclaw. Op de grote markt telt een bord de dagen af tot het Europees Kampioenschap. De culturele trots van de stad, het Panorama van Raclawice, staat iets buiten het centrum. Op dit panorama – een schilderij van 15 bij 120 meter, tentoongesteld in een speciaal voor de gelegenheid ontworpen cirkelvormig gebouw – is een achttiende eeuwse veldslag afgebeeld tussen de Polen en het Russische leger. Luisterend naar de audiotour en lopend door de rotonde zie ik het schilderij in een spannende oorlogsfilm veranderen – waarvan de Poolse opstandelingen ondanks de relatief slechte afloop uiteraard de helden zijn.

Het Panorama van Raclawice werd geschilderd voor de Nationale Tentoonstelling van 1894 in Lvov , een stad die ook aan de E40 ligt. Lvov ligt tegenwoordig niet meer in Polen, maar in Oekraïne: net als de definitie van ‘Europa’ liggen landsgrenzen allesbehalve vast. Vier jaar later opende in Parijs de Internationale Autosalon en werden de eerste internationale autoraces gehouden: ook dromen over een internationaal wegennetwerk begonnen toen.

Sinds die droom werkelijkheid werd is het netwerk voortdurend veranderd: nieuwe landen sloten zich aan, wegen werden opnieuw g enummerd en op de ontrafeling van de Sovjet-Unie volgde een uitbreiding naar het oosten. Inmiddels zelfs tot buiten Europa: in Kazachstan steekt de E40 de Oeral over en loopt het Aziatische continent in.

Op de E40 van Wroclaw naar Krakau bedenk ik dat een autoruit hetzelfde werkt als een panorama: de ruit is een kader waarbinnen zich een verhaal afspeelt, nu niet omdat je een rondje loopt, maar doordat je vooruit rijdt. Ik heb geen rijbewijs: er was een zomer waarin ik het probeerde te halen en tijdens het examen ingreep op ingreep stapelde. „Volgens Harry Mulisch heb je mensen die rijden en mensen die gereden worden”, zei een vriend nadat ik voor de derde keer glorieus was gezakt. Het was troostend bedoeld.

Hoe dan ook is het voordeel dat mijn ogen vrij zijn om te kijken naar het Panorama van de E40, en mijn handen vrij om op te schrijven wat ik zie: Akkers. Ikea. Weinig vrachtwagens. Reclame voor een pretpark met dinosauriërthema. Het tuincentrum, de kerk en de begraafplaats van een dorpje waar de E40 dwars doorheen loopt. En dan: Oekraïne.

Tot nu toe werden grensovergangen steeds gemarkeerd door blauwe bordjes met gele sterren, maar bij Oekraïne staat de eerste ouderwetse grenspost. De auto moet gecontroleerd, onze paspoorten geïnspecteerd en geregistreerd. Een jonge douanier vraagt onzeker of we tien euro voor hem hebben. Nee, zeggen we. Dollars? Ook niet. Oké, rij dan maar door. Hij kijkt beteuterd: de corruptie waar Oekraïne om bekendstaat moet hij nog in de vingers krijgen.

De Europese Unie houdt hier op, maar Europa loopt door – samen met Polen is Oekraïne dit jaar gastheer van het EK. ‘Euro 2012. Ukraine and Poland – Making History Together’, staat op een blits billboard net voorbij de grens. Ik schrijf op dat het trotse letters zijn.