Beroep: schat zoeker

Luc Heymans is een professionele schatzoeker op zee. Zijn beroep is spannend, maar heel ingewikkeld. Want van wie is zo’n schat? Gedoe met musea, plunderaars, sjacheraars en ministeries.

Meer dan 270.000 objecten kwamen er uit het wrak van het schip bij Cirebon. Robijnen, parels, gouden sieraden, kristal, Italiaans glas, en Chinees porselein. Alles van rond 960 na Christus. Foto Reuters

De eerste keer dat Luc Heymans met twee zuurstofflessen op zijn rug naar het scheepswrak van Cirebon dook, wist hij dat hij een wereldvondst had gedaan. Op de donkere bodem van de Javazee, 57 meter diep, zag hij een berg Chinees porselein van veertig bij veertig meter. Er lagen ook edelstenen, goud, parels, kristal. „Ik dacht dat ik dronken was, het was geweldig”, vertelt de Belgische schatzoeker in een duur hotel in Singapore.

Hij maakte foto’s. Een kennis dateerde het aardewerk op de Chinese Vijf Dynastieën-periode, van 907 tot 960. Heymans had een schat gevonden van duizend jaar oud. Geschatte waarde: 100 miljoen dollar. En een feest voor archeologen die de wereldhandel uit die periode bestuderen.

Die gelukkige dag in 2004 was het begin van een jongensboekavontuur én een bureaucratische nachtmerrie, die tot nu toe voortduurt. Want van wie is zo’n schat? Na acht jaar bakkeleien met de Indonesische regering en na, naar eigen zeggen, 11 miljoen dollar aan investeringen, ligt Heymans’ aandeel van de schat nu eindelijk in een Singaporees pakhuis, klaar om te worden verkocht.

Schatten op het vasteland zijn zeldzaam geworden, maar de zeeën liggen er nog vol mee. Zeker in Indonesië. De archipel lag vanaf de 7de eeuw op de scheepsroute tussen China en het Midden-Oosten. Schepen vergingen en talloze scheepsladingen met kostbaar keramiek, goud, kristal en religieuze objecten zonken naar de bodem van de zee. Later, toen de Vereenigde Oostindische Compagnie grote delen van het eilandenrijk beheerste, strandden er schepen op weg naar Europa. Vol kruiden, dus minder waard. Tenzij ze goud aan boord hadden.

Luc Heymans kwam het wrak van Cirebon op het spoor via een van de schimmige tussenpersonen die hun tips weer krijgen van vissers. Het merendeel bestaat uit oplichters, zegt Heymans. Hij duikt tientallen keren per jaar naar ‘schatten’, het is zijn werk. Soms is er geen scheepswrak, soms wel, maar is het al lang geleden geplunderd. Maar is het raak, dan betalen schatzoekbedrijven de tussenpersoon bedragen tot wel 200.000 dollar, zegt Heymans. De vissers krijgen een schijntje.

Heymans vond een Russische staalmagnaat die geld wilde steken in zijn schat. Ze richtten het bedrijf Cosmix op, kochten een boot en namen 75 mensen in dienst. Duikers daalden twee keer per dag voor 20 minuten af naar het wrak; langer op die diepte blijven is niet gezond. In anderhalf jaar daalden ze 22.000 keer naar de zeebodem af en brachten 270.000 artefacten aan land.

Het is de eerste keer dat er in Indonesië legaal een gezonken schat wordt geborgen, zegt Heymans. Van het opduiken tot het ontzouten tot het opslaan: steeds keken Indonesische functionarissen over zijn schouder mee.

Dat is weleens anders gegaan. Het Asian Civilisations Museum in Singapore exposeert nu de Tang-schat: Chinese munten uit 621, porseleinen schaaltjes versierd met bloemen en vogels, een gouden beker met muzikanten en dansers. Pronkstuk is een lampetkan, gedecoreerd met bladermotief om klanten in het Midden-Oosten te plezieren. Alles zat in een schip uit de negende eeuw dat waarschijnlijk onderweg was van Guangzhou naar de Iraakse havenstad Basra, tot het zonk bij het Indonesische eiland Belitung. Volgens het museum is het scheepswrak het eerste bewijs van scheepshandel tussen Oost en West.

Achteraf treurt Indonesië om de manier waarop de Tang-schat het land is ontfutseld. Het scheepswrak werd in 1998 opgedoken door de Duitse schatzoeker Tilman Walterfang. Maar Indonesië werd, waarschijnlijk door handjeklap met corrupte functionarissen, bij de verkoop met 2,5 miljoen dollar afgescheept, terwijl Walterfang de 60.000 artefacten voor 32 miljoen aan Singapore verkocht.

En dat was nog beter dan bij eerdere vondsten, vertelt archeoloog Widiati, die op het Ministerie van Cultuur verantwoordelijk is voor onderzees erfgoed. Overal op haar kantoor staan stoffige vitrines met eeuwenoud keramiek. Zij herinnert zich de schok toen zij en haar collega’s in 1986 ontdekten dat Chinees porselein uit het VOC-schip Geldermalsen voor 17 miljoen dollar werd geveild door Christie’s in Amsterdam. De beruchte schatzoeker Michael Hatcher had het wrak opgedoken en de lading het land uit gesmokkeld. De Indonesische regering wist van niets.

Ook de wetenschappelijke gemeenschap maakt zich zorgen over commerciële schatzoekers. Want zullen bedrijven die schatten opduiken om winst te maken de voorwerpen wel goed in kaart brengen en conserveren? Gevreesd wordt dat de dure voorwerpen al verkocht zijn voor er een archeoloog aan te pas is gekomen. Sommige bedrijven zouden delen van hun schat vernietigen, zodat de rest extra bijzonder wordt en in waarde stijgt.

Het prestigieuze Smithsonian Institution uit Amerika besloot begin dit jaar de Tang-schat niet tentoon te stellen, uit vrees de goede naam van het museum in gevaar te brengen.

Ook werelderfgoedorganisatie Unesco raadt landen af hun schatten te laten opduiken door bedrijven die ze met winst willen verkopen. Daar krijgen ze later spijt van, zegt Masanori Nagaoka van het kantoor in Jakarta. Net zoals Grieken en Egyptenaren nu met lede ogen moeten toezien hoe hun erfgoed in het British Museum ligt. „Als die schatten eenmaal in het buitenland zijn, krijg je ze nooit meer terug. Zo gaat een deel van je geschiedenis zo verloren.”

Bovendien: zodra de schatten boven water komen, begint het verval, zegt Nagaoka. Als landen geen geld hebben om de eeuwenoude voorwerpen volgens de allerhoogste archeologische standaard te conserveren, kunnen ze volgens de erfgoedorganisatie beter op de zeebodem blijven liggen.

Maar kan dat wel? Zodra de locatie van een wrak bekend is, begint het plunderen, zeggen critici. Heymans vertelt hoe vissers hun leven wagen door te duiken met alleen de slang van een compressor in hun mond. Ze verkopen de stukken voor een habbekrats aan een tussenpersoon. Die speelt ze voor een veelvoud door aan verzamelaars. De historische informatie gaat voor altijd verloren.

Unesco zegt dat de kustwacht zo’n wrak zou kunnen bewaken. Maar dat is duur en kustwachters zijn vaak de grootste plunderaars. Twee wrakken die Cosmix wilde opduiken zijn op die manier leeggehaald terwijl de vergunningsprocedure nog liep.

En het is lang niet altijd duidelijk om wiens geschiedenis het eigenlijk gaat. De Tang-schat en die van Cirebon bevatten relatief weinig voorwerpen uit Indonesië; ze geven meer historische informatie over China en het Midden-Oosten. Indonesië lag slechts op de route; toeval dat de schepen er zonken.

Toen Heymans zijn schat opdook, was Indonesië niet geïnteresseerd in de historische waarde. De afspraak was om alles te verkopen en de opbrengst te verdelen tussen Cosmix en de regering. De samenwerking dreef Heymans tot wanhoop. Het leger legde drie maanden lang beslag op zijn schip en pakhuizen. Twee duikers zaten ruim een maand in de cel wegens visumproblemen. Tijdens het hele proces verdwenen belangrijke stukken; twee aardewerken vissen doken plotseling op in Hongkong.

Indonesië wilde de schat in eigen land veilen, maar eiste dat mogelijke kopers miljoenen dollars borg inlegden. Niemand kwam opdagen. Uiteindelijk werden alle artefacten in een regeringsgebouw verdeeld: de ene helft was voor Cosmix, de andere helft voor de regering. Cosmix betaalde alles: de archeologen die invlogen om de schat te bestuderen, de zeven tekenaars die alles documenteerden. Heymans moest de regering zelfs van dozen voorzien. „Ze wilden alles naar een pakhuis brengen in een truck, met niets eromheen. Dat hadden de stukken nooit overleefd.”

Hij had het geluk dat zijn Russische geldschieter al die tijd niet ongeduldig werd. Die hele schatzoekerij is een speeltje voor hem, zegt Heymans’ zakenpartner Harry Satrio. Toch was het een onbeschrijflijke opluchting toen de zes zeecontainers met hun aandeel van de schat in Singapore arriveerden. Eindelijk kunnen de investeringen worden terugverdiend.

Alhoewel?

De regering is weer van gedachten veranderd. Indonesische zeeschatten moeten in Indonesië blijven, zegt Widiati van het Ministerie van Cultuur. Plotseling klagen functionarissen in de media dat waardevol Indonesisch erfgoed in Singapore is beland. „We zoeken nog uit hoe dit heeft kunnen gebeuren”, zegt Widiati.

Alwéér moeilijkheden, verzucht Heymans. Voor hem is dit het laatste project in Indonesië; te veel gedoe. Zijn bedrijf heeft nog drie wrakken op het oog. Daar mogen andere schatzoekers zich aan wagen.