Zij hebben ingeleverd, nu het volk nog

De sleutelposten in de Franse regering zijn verdeeld. Twee accenten tekenen zich af: de zwaarste lasten voor de sterkste schouders en extra aandacht voor industrie.

Correspondent Frankrijk

Parijs. Alvast één beroepsgroep zal het aantreden van de nieuwe regering Hollande-Ayrault onmiddellijk voelen in de portemonnee: op de eerste ministerraad besliste de nieuwe Franse regering vorige week om de lonen van de president en de ministers met 30 procent te verlagen, en ook de budgetten voor beheer van de ministeries worden met 10 procent afgeroomd.

Dat betekent niet dat de beroepspolitici voortaan ascetisch moeten leven. De Franse president verdient vanaf nu 14.836 euro bruto per maand (was: 21.194) en ministers verdienen nu 9.396 euro bruto per maand, tegenover 13.423 euro voor hun voorgangers.

Ter vergelijking: een Belgisch minister verdient 17.500 euro per maand, de socialistische premier verdient er zelfs 18.700 euro (na de daling van het Franse presidentiële loon nu het hoogste in Europa) en de Nederlandse minister-president 12.042 euro per maand.

Uiteraard is de loonsverlaging vooral symbolisch en zal die vrijwillige bijdrage de wankele Franse overheidsfinanciën (staatsschuld: 1.700 miljard euro) niet oplossen. Maar president François Hollande wil er vooral twee dingen mee illustreren: hij is snel in staat om een relatief makkelijke verkiezingsbelofte in te lossen, en de financiële inspanningen die de komende jaren van de Fransen worden gevraagd, zullen toch voornamelijk door de betere verdieners moeten worden gedragen. Concrete plannen daarvoor worden overigens niet voor de parlementsverkiezingen (10 en 17 juni) verwacht.

Belangrijkste economische gezicht van de regering van Jean-Marc Ayrault in het buitenland wordt Pierre Moscovici. Hij bekleedt de post ‘economische zaken, financiën en buitenlandse handel’. Moscovici geldt als een traditionele sociaal-democraat en hij wordt aangeduid als strauss-kahnien’. Na de arrestatie van Dominique Strauss-Kahn in mei vorig jaar in New York op verdenking van verkrachting, twijfelde Moscovici zelf even over een kandidatuur bij de socialistische voorverkiezingen, vooraleer uiteindelijk campagnedirecteur van Hollande te worden.

Moscovici’s belangrijkste taak wordt om met de Duitsers te onderhandelen over het stabiliteitspact, en er een groeiparagraaf aan toe te voegen. Hij moet ook zorgen voor de beloofde scheiding tussen spaarbanken en investeringsbanken.

Op de economische flank van de regering krijgt Moscovici het gezelschap van enkele ministers die links van hem staan, zoals Michel Sapin, een van de weinigen in de ploeg die al eens minister was. Sapin krijgt de moeilijke post ‘werkgelegenheid en sociale dialoog’, in een periode dat de werkloosheid dreigt de drempel van 10 procent te overstijgen.

Frankrijk telt nu een werkloosheidsgraad van 9,8 procent: bijna 3 miljoen Fransen zijn op zoek naar een baan, het hoogste percentage sinds 2000. Sapin moet zorgen voor het ‘generatiecontract’, waarbij een werkgever wordt vrijgesteld van het betalen van sociale bijdragen bij het aannemen van een jonge werkloze, als daarbij geen oudere werknemer wordt ontslagen.

Sapin moet ook zorgen voor alweer een hervorming van de pensioenen, waarbij het opnieuw mogelijk moet worden om met 60 jaar met pensioen te gaan voor werknemers die begonnen met werken op hun 18de of tenminste 41 jaar sociale bijdragen hebben betaald. Sapin heeft voor juli een sociale top aangekondigd met vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers.

Maar de opmerkelijkste ministerportefeuille is ongetwijfeld die van Arnaud Montebourg, die de naam redressement productif (herindustrialisering) heeft meegekregen. Montebourg behoort tot de uiterste linkervleugel van de Socialistische Partij en maakte indruk tijdens de voorverkiezingen met een pleidooi voor ‘demondialisering’. De ministerportefeuille is uiteraard bedoeld om de stroming die Montebourg binnen de PS vertegenwoordigt tevreden te stellen, maar is ook een erg risicovolle, want erg ‘meetbare’ portefeuille.

Montebourg moet het aantal industriële banen in Frankrijk op zijn minst zien gelijk te houden. Ook moet hij werk maken van een fiscale hervorming die bedrijven 3 miljard euro moet opleveren, maar die alleen mag worden gebruikt om te investeren in banen. Dat moet gepaard gaan met een nieuwe wet die bedrijven verplicht om eerst uitgebreid naar een overnemer te zoeken bij volledige of gedeeltelijke sluiting. Het is een ‘defensieve’ maatregel die al veel kritiek kreeg van werkgeversorganisaties, omdat die vrezen dat zo’n wet buitenlandse investeerders zal afschrikken.

Een van de eerste dossiers die Montebourg op zijn bureau krijgt is dat van de Franse autobouwer PSA Peugeot-Citroën. De groep wil in de noordelijke banlieue van Parijs de vestiging van Aulnay-sous-Bois sluiten, waardoor 3.500 banen worden dreigen te verdwijnen. Meteen een eerste test voor Montebourg om industriële banen in Frankrijk te behouden.