Ter Apel

In Ter Apel depte een dakloze Iraakse asielzoeker met een papieren zakdoekje tranen weg – bij een Nederlandse vrouw. „Don’t tell people I am crying for you”, riep zij in het rond, met een stem als een scheepshoorn.

De vrouw noemde zichzelf Mama. Ze leek rond de veertig en had een tatoeage uit de film Avatar op haar kuit. Zij sliep in een eigen tentje tussen de asielzoekers, die sinds twee weken voor het uitzetcentrum in Ter Apel bivakkeren. Ze had nog even bij Occupy Amsterdam gezeten. Nu rende Mama op onverwachte momenten met gespreide armen achter deze of gene vluchteling aan, voor een ongevraagde knuffel. Misschien vond zij dit bij haar nom de guerre passen.

„Maar hoe heet je echt”, vroeg ik.

„Het gaat niet om mij!”

Juist. Sinds 8 mei zitten ze hier. Eerst de groep van zo’n veertig uitgeprocedeerde Irakezen zonder onderdak. Toen kwamen de Somaliërs. Daarna de Iraniërs en drie Azerbajdzjanen. Nu zo’n driehonderd man, zeggen zij. Mijn schatting was gistermiddag honderd. Ze durven niet terug naar hun eigen land of krijgen, zoals veel Irakezen, van hun land van herkomst geen inreispapieren. Zij kúnnen dus niet terug. Maar alleen uitgeprocedeerde gezinnen met minderjarige kinderen hebben dan nog recht op opvang. De rest staat op straat.

Een fotografe improviseerde een studiootje, waar men zichzelf met de zelfontspanner kon vastleggen. De mannen stonden in de rij, er was op een spelletje domino na verder weinig te doen. Vrouwen waren in de minderheid. De tenten waren smerig. Een vrijwillige arts heeft al bij drie mensen schurft ontdekt want er zijn maar zes kranen, een paar noodtoiletten en geen douches.

Er waren meer Nederlanders zoals Mama, voor wie rampspoed van asielzoekers ook een mogelijkheid is om hun eigen bestaan te definiëren. Je herkent ze aan hun verrukte gezichten. Stukken minder luidruchtig kwamen veel anderen langs, zoals Mariella Blei, uit het nabijgelegen Valthermond, in haar hagelwitte Mini Cooper. Daarin hadden zich ook twee boomlange tienerzonen met gelkapsels geperst. Mariella vond dat die moesten zien „dat zoiets beschamends kan, in onze eigen achtertuin”. Lars (14) en Joaquim (17) zaten hevig te knikken.

We keken naar de auto’s die doorreden. Met enige regelmaat stak uit een raampje een middelvinger omhoog. „Wij woonden in Almere Stad”, zei Joaquim met gepaste trots. „Dus wij zijn hartstikke multiculti.”

Mariella en haar zonen brachten voedsel en twee tenten. Onopvallend en vanzelfsprekend, omdat iedere asielzoeker die hier op straat moet leven, een schande is voor Nederland.

Namens politie, IND en COA hebben ook drie gezagsdragers het kamp bezocht. Sindsdien wappert er tussen de bomen achter de tenten een rood-wit plastic lint. Zelfs hier worden onze grenzen op volmaakt Nederlandse wijze bewaakt. Al is er op het weiland daarachter nog plaats genoeg.