Speelplezier tussen labkind, haatradio en de dorpsleraar

Het beste theater in het Duitse taalgebied wordt inmiddels door buitenlanders gemaakt, zo valt aan de hand van het Berlijnse festival Theatertreffen te concluderen. De geselecteerde voorstellingen variëren van doodernstig tot droogkomisch.

Scène uit ‘Before your very eyes’ van het Duits-Britse collectief Gob Squad, waarin zeven kinderen uit Gent voor de ogen van het publiek verouderen. Foto Phile Deprez

Theater. 49ste Theatertreffen. Diverse voorstellingen op locaties in Berlijn. Inl.: berlinerfestspiele.de.

Je kunt je afvragen hoe Duits de selectie van het Theatertreffen nog is. Het toonaangevende festival in Berlijn, dat jaarlijks de tien beste theatervoorstellingen uit het Duitse taalgebied toont, selecteerde voor de 49ste editie werk van een Nederlander (Johan Simons, bij de Münchner Kammerspiele), een Brits-Duits-collectief en een Frans gesproken Vlaams/ Duits/ Rwandees-project, plus een Noorse Ibsen en een Letse Tsjechov. Kennelijk komt de vernieuwing in het Duitse theater tegenwoordig grotendeels van buitenaf. In Duitsland zal dat vast tot opgewonden debat leiden, maar het is te prijzen dat de nieuwe leiding van het festival deze ontwikkeling omarmt. Het resulteerde in een fris en veelzijdig festival, met nieuw werk en repertoire, zowel doodernstig als hoogkomisch, met liefde voor traditionele theatervormen naast ruimte voor experiment. Inhoudelijk was het moeilijk in de selectie een duidelijke lijn te ontwaren, ondanks gezochte pogingen in het programmaboek (‘tijd’ was een thema. En: ‘het collectief’). Maar in elk geval was het lang niet zo elitair als de kritiek bij voorbaat luidde.

Zowel vernieuwend als toegankelijk is bijvoorbeeld de voorstelling Before your very eyes van het Brits-Duitse Gob squad. Dit collectief plaatste zeven Gentse kinderen in een glazen doos; een terrarium, een laboratorium voor experiment. Wij zullen ze, zo belooft een Engels sprekende stem, live voor onze ogen zien verouderen en sterven. In slimme filmpjes, die van een paar jaar geleden stammen, gaan de kinderen van toen gesprekjes aan met hun nu verouderde versies op het toneel. Die hebben zich net getransformeerd tot boze pubers, met zwarte lippenstift en ‘fuck you’-gebaren. De oudere Ineke vraagt haar jongere ik waarom ze nog met een knuffelbeest slaapt. De jonge Spencer lacht zijn oudere zelf - met punk-make up, hard uit. Het is ontroerend om te zien hoe deze kinderen al deels hun onschuld hebben verloren. Gaandeweg, als ze nog ouder moeten lijken, ontstijgt de voorstelling niet altijd het niveau van een verkleedpartijtje. Maar het concept blijft sterk, en vormgeving en uitvoering; met muziek, dans, en video, zijn fris. Het was bovendien de eerste keer dat er kinderen optraden op het chique Theatertreffen – een revolutie. Ze werden door het Duitse publiek met daverend applaus onthaald.

Ogenschijnlijk conventioneel, maar stiekem toch vrij radicaal, is de enscenering van Tsjechovs Platonov door Alvis Hermanis bij het Burgtheater. Hermanis paste stevige eindredactie op Tsjechov toe, en voerde diens streven om ons een ‘slice of life’ te tonen, tot het uiterste door. Hij bracht de handeling terug tot 24 uur, en laat overbodige personages weg. Hermanis toont ons de vergane grandeur van een Russische datsja (stof op de ruiten, vale meubels) als een Big Brother-huis, met één camerastandpunt. Op het voortoneel zien we de salon, rechtsachter de eetkamer, links veranda en tuin. De personages bewegen zich voortdurend door de drie ruimtes, en bevinden zich zo ook vaak ‘buiten beeld’ – waar we ze niet zien, of nauwelijks horen. Gesprekken vinden geregeld gelijktijdig plaats, en Hermanis laat zelfs complete scènes door elkaar spelen. Aan de ene kant brengt hij Platonov zo heel dichtbij; alsof je op een feestje in de ene kamer staat, en mensen in de andere hoort praten. Tegelijk is die chaos weinig dwingend, en voor de concentratie desastreus. Maar halverwege verkokert deze enscenering, zodat we de handeling plots door de loop van een geweer lijken te zien - passend bij het fatale einde van de dorpsleraar.

Het belangrijkste anti-elitaire statement levert het Theatertreffen met de selectie van Die (s)panische Fliege, van de Volksbühne. De klucht uit 1913 van Franz Arnold en Ernst Bach wordt bij regisseur Herbert Fritsch een doldriest, acrobatisch blijspel. De 12 acteurs zijn kleurrijk geschminkt en dragen oversized pruiken. Ze leven zich uit in vecht-, stoei- en struikelpartijtjes die zo uit een Laurel & Hardy-filmpje lijken te komen. Je reinste slapstick is het, zoals Werner Eng over toneel voortwiebelt, alsof hij versneld wordt afgespeeld. In het decor, een reuzengroot tapijt, zit een trampoline verstopt. Een briljante vondst: zodra de acteurs er voet op zetten, wipt het ding ze vrolijk de lucht in, steeds vergezeld van een toepasselijke Boooiiink!!! Slechts enkele acteurs blinken echt uit qua timing, mimiek en fysiek, cruciaal bij deze theatervorm. Maar het plezier dat ze er zichtbaar allemáál aan beleven, is aanstekelijk. Fritsch verrijkt het ernstige Duitse theaterlandschap met zijn superieure slapstick, en lijkt vooral daarom te zijn geselecteerd.

Aan het andere uiterste van deze artificiële kolder bevindt zich de documentaire ernst van Milo Rau. Diens Hate Radio is een nagespeelde uitzending van radiozender RTLM in Kigali, die in 1994 een belangrijke rol speelde in het opzwepen van de Hutu-bevoking tot massaslachtingen van Tutsi’s. Rwandese acteurs spreken in een glazen radiostudio letterlijk de teksten uit die RTLM destijds de ether inzond. De liedjes, de gesprekjes met luisteraars, het is allemaal levensecht. Maar anders dan verwacht zijn de dj’s allerminst grof, luidruchtig of opruiend. We zien keurige mensen aan het werk in die studio; zakelijk, professioneel. Tijdens de nummers overleggen ze, lachen wat, drinken een biertje – allemaal heel beschaafd. Ze draaien uitstekende muziek, die ook de onwillige toeschouwer doet swingen in zijn stoel. Via onze koptelefoons klinken hun stemmen innemend en uitnodigend.

Maar dan delen ze doodleuk mee dat zich ergens kakkerlakken hebben verschanst, en dat die moeten worden verdelgd. Als een elfjarig jochie belt met de vraag of hij oud genoeg is om kakkerlakken te doden, lacht de presentator: Túúrlijk! Dat kan iedereen! Vervolgens draagt hij achteloos een liedje op „aan alle Tutsi-vrouwen”: Rape me, van Nirvana. Hate Radio laat de ergste soort propaganda moeiteloos mengen met een ogenschijnlijk onschuldig discours; verwarrend en ijzingwekkend. Zo schokt de banaliteit van het kwaad nog altijd.

Als er al een overeenkomst is tussen deze voorstellingen is het dat ze, met uitzondering althans van Die (s)panische Fliege, de mens als proefkonijn in een glazen laboratorium centraal stelt. Kijk, zo gedragen wij ons, wordt er getoond. Zo praten we als we ouder worden (Before your very eyes), zo zoeken we vergeefs naar zingeving (Platonov). En zo laten we ons verleiden door propaganda. Want bij Hate Radio blijkt dat de proefpersonen niet de personages in hun glazen studio zijn, maar wij, het publiek.