Parlement is laks met inspraak in miljarden euro’s

De Tweede Kamer heeft haar inspraak in de redding van banken uit handen gegeven. De Kamer gebruikt haar bevoegdheden niet goed, vindt Samantha Daniels.

Overmorgen stemt de Eerste Kamer over de Interventiewet. In 2008 mocht de minister van Financiën Fortis en ABN Amro niet nationaliseren zonder toestemming van de Tweede Kamer. Dankzij deze wet kan de minister van Financiën in geval van nood wel zonder parlementaire toestemming overgaan tot nationalisatie, kapitaalinjecties of garantstelling door de Staat. In democratisch opzicht schiet de noodregeling tekort. Er is geen parlementaire inspraak bij zware noodmaatregelen die miljarden euro’s kosten.

De Kamer kan dus niet controleren of een interventiemaatregel als nationalisatie van een bank gerechtvaardigd is. Bedenkt men dat de nationalisatie van Fortis circa 30 miljard heeft gekost, de kapitaalinjectie in ING 10 miljard bedroeg en dat de minister van Financiën in 2009 serieus overwoog om ING ter waarde van 1.360 miljard te nationaliseren, dan is dit gebrek aan parlementaire inspraak welhaast onbegrijpelijk.

Dat de lacunes in het huidige toezicht- en interventiestelsel worden opgevuld, is zeker toe te juichen. Maar dit wetsvoorstel leidt tot herhaling van het scenario uit 2008: de minister van Financiën intervenieert bij een bank met alle financiële risico’s van dien, zonder de Kamer daarin te kennen. Het enige verschil met de situatie van 2008 is dat dit straks wettelijk is gelegitimeerd.

De parlementaire verontwaardiging over het feit dat de minister toen met zijn financiële crisismaatregelen het budget- en inlichtingenrecht van de Tweede Kamer met de voeten zou hebben getreden, is daarom niet geloofwaardig. Met dit wetsvoorstel wordt wederom bevestigd wat de commissie De Wit reeds heeft geconstateerd: de Kamer benut haar controle-instrumenten niet goed. De Kamer vervult nu dus ook haar rol als medewetgever van financiële crisiswetgeving niet goed.

Uit de kamerstukken blijkt dat de Kamer zich wel heeft verzekerd van parlementaire inspraak in tijdelijke financiële overbrugging door de Staat (mocht er voor de overdracht van bancaire vermogensbestanddelen nog geen private partij zijn gevonden), maar niets eist ten aanzien van veel verder gaande noodmaatregelen als nationalisatie van en kapitaalinjecties in systeembanken.

Gesteld kan worden dat in het bestaan van de Interventiewet zelf een parlementair mandaat besloten ligt. Dat wil echter niet zeggen dat de feitelijke beoordeling van de noodzaak tot het treffen van zwaar op de publieke middelen drukkende noodmaatregelen onttrokken moet worden aan elke vorm van parlementaire controle. Bij noodmaatregelen ter behoud van het financiële stelsel heeft de Tweede Kamer zichzelf nu buitenspel gezet. Het is te hopen dat de Eerste Kamer beter oplet.

Samantha Daniels promoveert op financieel toezicht en staatsnoodrecht aan de universiteit van Amsterdam.