Mierenneuker is geen scheldwoord meer

Interessante uitspraak van de Hoge Raad vorige week: als een politieagent zich als een pietlut gedraagt, mag je hem of haar uitmaken voor mierenneuker, want dat is dan niet beledigend en geen scheldwoord.

Er zijn de afgelopen jaren diverse vergelijkbare uitspraken geweest, met wisselende uitkomst. Mafkees en Bin Laden mochten wel, homo en dom paard niet. Dat roept de volgende vraag op: waar mag je een politieagent nu wel of niet voor uitmaken?

Ik ben ervan overtuigd dat deze vraag in grote delen van de wereld niet wordt begrepen. In veel landen is het een buitengewoon slecht idee om een grote bek op te zetten tegen de politie. Bij ons en in diverse andere westerse landen ligt dat anders: daar wordt achteraf door de rechter bepaald of iets kwetsend of beledigend was of niet.

Taalkundig gezien zijn dergelijke beledigingszaken interessant, onder meer omdat ze onvermijdelijk de gevoelswaarde van een woord onder de loep nemen.

De vroegste Nederlandse zaak die ik ken over de belediging van een agent dateert uit 1905. De zaak kwam eerst voor in Haarlem en vervolgens bij een hogere rechter in Amsterdam. Inzet: kun je een politieagent aanspreken met smeris of niet?

De bekende spreekwoordenverzamelaar F.A. Stoett legde op 5 november 1905 in De Amsterdammer uit dat smeris teruggaat op een Hebreeuws woord dat ‘wachter’ betekent. Om te vervolgen: „Naar den oorsprong van het woord is dus ons smeris in geen enkel opzicht beleedigend, daar het juist uitdrukt, wat de agent in de eerste plaats moet wezen, een wachter. Maar de waarde der woorden wordt niet bepaald door de afkomst, doch door het gebruik, en ik kan me daarom best voorstellen, dat het Hof te Amsterdam, een vonnis van de Haarlemsche rechtbank vernietigend, smeris voor een beleedigende uitdrukking verklaarde, tenminste in den mond van een beschaafd man.”

Een ander vroeg voorbeeld, dat op deze pagina al eens uitgebreider aan de orde kwam, is een zaak uit 1913. Kort samengevat: een dronken veehandelaar uit Sneek zegt tegen een agent: „Jij maakt mij toch niks, flapdrol.” Citaat uit het rechtbankverslag: „De agent, hoewel de beteekenis van dit woord niet kennende, begreep, dat het een beleediging bedoelde uit te drukken en maakte daarom den koopman deswege proces-verbaal.” Men liet in 1913 in Friesland niet met zich sollen: bij verstek werd de veehandelaar veroordeeld tot drie dagen gevangenisstraf.

Volgens de Hoge Raad is mierenneuker nu een tamelijk onschuldig woord, maar heeft men daar altijd zo tegenaan gekeken? Nee. Het woord is pas in 1972 voor het eerst opgetekend, in een Bargoens woordenboek. Alleen al die vindplaats geeft aan welke status het woord had, want dat woordenboek beschreef de dieventaal en platte volkstaal. Er staat bij dat mierenneuker een ‘scheldwoord’ is voor ‘pietluttig persoon’, net als kanarieneuker.

In 1973 vinden we het voor het eerst in een literaire bron, een verhalenbundel van Hans Vervoort: „Henk was een kleine magere cijferaar, een miereneuker, een stuk rekenmachien.’’

Mierenneuker is lang als tamelijk grof beschouwd, zonder twijfel wegens het tweede woorddeel. Ik heb zelf weleens iemand mierenpuntjepuntje horen zeggen om neuker te vermijden, en Gerard Reve had het in 1980 in een brief over een m-r, een eufemistische of komisch bedoelde verkorting van ‘mierenneuker’. Als varianten vermeldt de Grote Van Dale onder meer kommaneuker, pietjesneuker, punaisepisser en punaisepoetser.

Kortom, de Hoge Raad mag nu dan van mening zijn dat „de meerderheid van de Nederlandse bevolking zich niet gekwetst [zou] voelen indien zij, na het verrichten van een in de ogen van bepaalde personen kinderachtige handeling, genoemde uitlating in het openbaar te horen krijgt”, veertig jaar geleden stond mierenneuker nog te boek als een plat scheldwoord.

Als algemene richtlijn lijkt dit mij overigens het best: helemaal niet schelden op de politie.