Geen potten en zeker geen babes

Vrouwenrugby is in opkomst. Maar over het imago van de sport bestaan nog veel misverstanden. „Wij zijn gewoon topsporters.”

Amsterdam 20-05-2012 Nederlands Vrouwen Rugbyteam Joyce van Altena vangt de bal Foto NRC H'Blad Maurice Boyer

AMSTERDAM. Als je Linda Franssen, aanvoerder van het Nederlandse rugbyteam, boos wilt maken, dan moet je haar confronteren met het imago van haar sport; dat alle rugbysters uit de kluiten gewassen potten zijn. „Geen commentaar”, zei ze vorige week per telefoon. „Als je wilt weten wie we zijn, dan kom je maar kijken.”

Gisteren was het zover. Bij de Amsterdam Sevens, een jaarlijks terugkerend toernooi waarin een korte variant van het rugby wordt gespeeld (zeven tegen zeven, in twee keer zeven minuten) springt direct het postuur van de vrouwen in het oog. Hier geen gezette, onooglijke, noeste rugbyers, maar atletische en gestroomlijnde sportlichamen, die nergens voor terugdeinzen. Want, het moet gezegd, het gaat er best ruig aan toe. Annemarije van Rossum, een kleine vrouw met gespierde bovenbenen, vliegt een meter de lucht in nadat een Canadese speelster haar heeft getorpedeerd. En het gezicht van Anne Hielckert, voorzien van imposante dreadlocks, zit verscholen achter een dikke laag modder. Eén ding is zeker; deze vrouwen kijken niet op een gebroken nagel meer of minder. Noem ze geen rugbybabes. Dat klinkt te lief.

„Wij zijn gewoon topsporters”, lacht Franssen tijdens de slotdag van het tweedaagse Amsterdam Sevens, waar de beste twaalf landenteams ter wereld aan deelnemen. „Natuurlijk is er stoerheid voor nodig om deze sport te kunnen beoefenen. Maar er is meer. We zijn allemaal topfit en trainen fulltime. Vier dagen per week zijn we van negen tot vier met onze sport bezig.”

En dat is geen sinecure, voegt de aanvoerder er meteen aan toe. Zowel het fysieke als het tactische en mentale aspect wordt intensief getraind. Allemaal met als doel: de Zomerspelen van 2016 in Rio de Janeiro, waar de seven-variant van rugby op het olympisch programma staat.

Yves Kummer, boegbeeld van het Nederlandse rugby, bewaakt het traject richting die olympische droom. Sinds de derde plaats op het Europees kampioenschap, vorig jaar, beschikken de rugbysters over de A-status van sportkoepel NOC*NSF. Daardoor is het voor hen mogelijk zich volledig op hun sport focussen.

„Toen na het EK de ambitie om naar de Olympische Spelen te gaan begon te leven, zijn we direct naar NOC*NSF gestapt”, vertelt Kummer. „We zeiden heel simpel: ‘We hebben geld en een programma nodig.’ Verder is het belangrijk dat we talenten sneller ontdekken, want de ontwikkelingen gaan heel hard. Bij onze talentenlichting zitten bijvoorbeeld drie meiden die korter dan vijftien maanden op rugby zitten. Ze beschikken over veel talent, maar hebben soms de ballen verstand van wat ze precies aan het doen zijn op het veld.”

Dat de rugbysters vorderingen maken, is duidelijk. Vorige week, in Londen, versloeg Nederland regerend wereldkampioen Australië in de halve finales van de prestigieuze IRB World Series. Gisteren werd het zevental vierde in Amsterdam, omdat het de prestatie tegen Australië niet kon herhalen. Terwijl het publiek, met vrijwel evenveel vrouwen als mannen, de lunch wegspoelde met halve liters bier, verloren ze van de Aussies. Maar tot zure gezichten leidde dat niet. Franssen: „We’re living a dream. Ik geniet er elke dag weer van dat dit mijn werk is.”