Een andere muntcrisis

Eenheidsmunten die splitsen: het is vaker gebeurd. De Sovjet-Unie viel in 1991 uiteen en sleurde de roebel mee. Hubert Smeets was erbij en zag de totale muntchaos.

De winkelschappen waren leeg in Moskou in de herfst van 1990. De socialistische planeconomie liep op haar laatste benen. Ook een pilsje of glas wijn in een normaal café was in de hoofdstad van de Sovjet-Unie, waar ik toen woonde en werkte als correspondent voor NRC, een schaars goed. Uitgaan in Tbilisi, in het 1.700 kilometer zuidelijkere Georgië, was een oplossing. Daar scheen de zon, waren wijn en keuken prima en straalden veel vrouwen een oudtestamentische schoonheid uit.

En de baas had er geen last van. Een weekeindje Tbilisi kostte heen en terug pakweg 15 dollar. Net zoveel als zeven blikjes bier in de valutabars van de hotels Intoerist of Kosmos te Moskou, waar de hoeren wel erg opdringerig konden zijn.

Waarom waren wij twee decennia geleden het heertje in de Sovjet-Unie? Omdat wij profiteerden van de monetaire chaos in het land, dat in december 1991 uiteenviel en ook zijn eenheidsmunt zag exploderen.

De val van de roebel was geen donderslag bij heldere hemel. Het feest voor de mensen met de goede bankbiljetten op zak was al langer aan de gang. Voor de ondergang van de sovjetmunt waren er de facto drie valuta in de Sovjet-Unie: de houten, de glazen en de groene roebel. Op de houten roebel stond de beeltenis van Lenin: dat was de Sovjetmunt. Op die van glas stond in een rood etiket Roesskaja: dat was een half litertje wodka. Op groene prijkte Lincoln: de US-dollar. Met de houten roebel kon je met geluk boeken van Progress of grammofoonplaten van Melodija kopen. En bruin brood. Tegen een fles drank kon je benzine of schoenen ruilen. Met de groene kocht je de rest.

Strikt genomen was alleen de houten roebel legaal. In de praktijk floreerde de zwarte markt. Om de clandestiene handel de wind uit de zeilen te nemen, besloot de Sovjetregering in 1990 om de feiten te erkennen en te formaliseren. Wij westerlingen hoefden onze vliegtickets en hotels niet meer in westers geld te betalen maar konden dat in houten roebels doen die we officieel konden wisselen tegen een koers die slechts iets onvoordeliger was dan op de zwarte markt. Zo kon ik voor nog geen geeltje naar Tbilisi om aan de Roestaveli-boulevard wijn te drinken en chinkali te eten.

Met mijn dollarrekening bij de Vnesjekonombank, de enige bank voor buitenlands betalingsverkeer, stond ik ook elders aan de goede kant van de streep. Ik kon overal terecht. Anders dan mijn overburen, die in de rij stonden voor Georgische cognac, kon ik gewoon doorlopen naar winkels waar een bordje buiten de deur hing met de afkorting SKV: ‘vrij convertibele valuta’, een ander woord voor groene roebels.

De keerzijde van dit dollarfeest was dat de moraal van het sovjetvolk tot op het bot werd uitgebeend. Want de burgers, die hun geld verdienden in een fabriek of ziekenhuis, zetten geen stap meer dan nodig was als ze er niet voor betaald werden in flessen of groene roebels. En als ze voor een dienst al houten roebels accepteerden, dan alleen tegen de zwarte marktwaarde plus een opslag om het continue devaluatierisico af te dekken.

Deze handel kwam samen in de zogeheten Kommissioni, een soort winkel van sinkel waar alles met een Westers tintje kon worden gekocht of verkocht. Daar konden ook blokken Marlboro, die alleen voor groene dollars verkrijgbaar waren, worden gewisseld tegen bakken houten roebels. Althans in Moskou. Buiten de grote steden hield de geldeconomie zo goed als op te bestaan. In de dorpen werd een half litertje wodka of een jerrycan benzine de betaaleenheid. Met papiergeld kon je als kolchozboer toch nergens terecht. De houten roebel was waardeloos, de groene kon je niet eten.

Deze ‘bartereconomie’, gebaseerd op ruilhandel in goederen, was in het sovjetbedrijfsleven al langer schering en inslag. Ook in een planeconomie bestaat er een goederenmarkt. Tijdens de perestrojka groeide die schaduwmarkt gestaag, juist omdat de officiële markt wegkwijnde. Ook staatsfabrieken en collectieve boerderijen moesten gaan ‘barteren’, al was het maar om hun productie volgens plan op gang te houden. De hotels werden bevolkt door makelaars/scharrelaars die van deze ruilhandel hun beroep hadden gemaakt: de tolkatsj, de ‘duwer’, die buiten de boeken al ruilend voor elkaar kreeg waartoe het planbureau officieel niet in staat was.

En het werd nog veel complexer. Vanaf 1 januari 1992 werd de Sovjet-Unie definitief opgeknipt in vijftien republieken die allemaal hun eigen munt wilden. Rusland hield de oude sovjetroebel. Oekraïne opteerde voor de karbovanets. Letland ging eerst over op de talonas, Georgië op de lari, Moldavië op de leu, Armenië op de dram, enzovoort. Bij elkaar maar twee staten minder dan de zeventien die nu de eurozone vormen.

De chaos was in de meeste landen enorm. Een nieuwe munt is niet zomaar uit de grond gestampt. En de Russische roebel was geen vluchtheuvel, zoals nu dankzij de intussen tien keer hogere olie- en gasprijzen. Integendeel, door de hyperinflatie van tweeduizend procent, gevolg van de liberalisering van de prijzen waartoe president Boris Jeltsin en premier Jegor Gaidar overgingen om de markt vlot te trekken, was de roebel ook een instabiele factor.

In de herfst van 1992 gingen er al 400 roebel in 1 dollar. In 1990 was de koers officieel 0,7 roebel tegen 1 dollar en op de zwarte markt 15 op 1. Op de Oekraïense karbovanets stond ‘coupon’ en hij leek meer op een spaarzegel van een supermarkt dan op een bankbiljet. De hyperinflatie in Oekraïne, de tweede Sovjetrepubliek en zo groot als Frankrijk, was navenant.

Wie het kon, rekende dus in dollars. Maar lang niet iedereen kon dat. De ondergang van het communisme bleek te leiden tot datgene wat de communisten beweerden te hebben opgeheven: een groeiende kloof tussen kapitaal en arbeid.

In februari 1992 reisden fotograaf Oleg Klimov en ik een maand per vliegtuig en trein door de Oeral, West-Siberië en Wolgagebied. Creditcards werden alleen in Moskou geaccepteerd. Pinpassen bestonden überhaupt niet. Er was dus maar één monetaire optie: de papieren roebel. Ik nam er dertigduizend mee. Dat was toen circa duizend dollar. Een rugzak voor de laptop van het type Tandy zat propvol coupures van 5, 10 en 50. Want aan grotere biljetten heb je niets, als niemand wisselgeld heeft.

Maar zelfs met die koffer vol geld kwamen we niet veel verder dan de aanschaf van een fles Armeense cognac en sigaretten van het merk Bond Street. De Chinees bij de Heldenallee in Volgograd had geen rijst, wel champagne. De restaurants in Kazan, Tsjeljabinsk en Saratov waren leeg, op een enkele bandietenclub na, en serveerden voor een goede fooi ‘vlees dat terugbeet’. Het chanson ‘Regarde les riches’ van Patricia Kaas – indertijd razend populair in Rusland – klonk zo nog pregnanter.

Met een zak vol geld in een land zonder waardevol geld: de vernedering door deze dollarisering van de voormalige sovjetmaatschappij werd ondraaglijk. Geen eigen geld hebben is zoiets als geen eigen identiteit hebben. Er moest iets gebeuren om die vernedering te camoufleren. In 1993 deed het eufemistische begrip Oe.Je zijn intrede, Het verving het eerlijkere SKV. Oe.Je betekende ‘voorwaardelijke eenheid’. Er werd nog steeds de US-dollar of D-mark mee bedoeld.

Veel bleef dus hetzelfde. SKV of Oe.Je: oude van dagen waren nog steeds hun gespaarde roebels kwijt. Door de inflatie waren ook hun pensioentjes niet meer toereikend. Formeel bleef de pensioengerechtigde leeftijd gelijk, feitelijk moesten de AOW’ers aan het werk. De bejaarden domineerden de straathandel met hun pakjes sigaretten, bosjes peterselie en gedroogde vis. Of ze doken op bij de kerken voor een aalmoes.

Eén fenomeen bleef raar genoeg in tact: de rij voor schaarse goederen. In 1990 hadden er rijen voor slijterijen, bierpompen en kruideniers gestaan. Dat waren roebelrijen. In 1993 verschenen er rijen voor de uitspanning van Yves Saint Laurent in het staatswarenhuis GOeM aan het Rode Plein. Dat waren dollarrijen. Er stonden bejaarden. Maar die hadden toch geen Oe.Je? Inderdaad, zij stonden daar de hele dag om hun plaats te verkopen aan de nieuwe rijken. Deze ‘nieuwe Russen’ hadden de tijdgeest wel begrepen en dus dollars om echte parfum te kopen. Maar ze hadden geen tijd om er op te wachten. Ze kwamen langs, kochten een plaats vooraan in de rij en deden hun boodschappen. De bejaarde wachter sloot intussen weer achteraan in de rij aan.

Wederom profiteerden de mensen met de goede biljetten in hun portemonnee. Toen de Russische staatschuld na 1993 alsmaar groter werd en de regering op zwart zaad kwam te zitten, konden zij de nood van de schatkist in 1996 lenigen door voor een appel en een ei het staatsbezit te kopen dat nog moest worden geprivatiseerd: de oliebronnen en andere grondstoffen. Het woord ‘oligarch’ deed zijn intrede. Dat woord zou uiteindelijk in 1999/2000 het alibi blijken voor Poetin en zijn regime.

Een munt die uiteenvalt: de brokken stukken vliegen alle kanten op, onvoorspelbaar ook. Maar één ding is zeker. Een munt die splijt, biedt altijd kansen aan mensen met financiële voorkennis en nooit aan mensen met sloom spaargeld.