De laatste stootkussens in economie worden getest. Waar vallen klappen?

Critici wisten een paar jaar geleden wel raad met de bloeiende Spaanse banken. Dat had de Spaanse centrale bank toch maar goed gezien. Terwijl De Nederlandsche Bank, die bij ons de banken controleert, en talloze nationale toezichthouders de teugels lieten vieren, dwongen de Spanjaarden hun banken om extra financiële buffers aan te leggen. „Spanje plukt daar nu de vruchten van”, schreef bijvoorbeeld de Volkskrant drie jaar geleden en veegde en passant de vloer aan met president Nout Wellink van De Nederlandsche Bank.

En nu? Moody’s verlaagde vorige week zijn oordeel over de financiële positie van zestien Spaanse banken. Geruchten dat spaarders hun geld weghaalden bij de half genationaliseerde Bankia gaf de eurocrisissfeer een extra dosis financiële paniek.

De critici van Wellink hebben zich zand in de ogen laten strooien door een beursgenoteerde Spaanse bank als Santander. Dat was een van de drie partijen die in oktober 2007 voor een recordbedrag van 72 miljard euro ABN Amro kocht om de bank in drie delen op te splitsten. De twee andere twee deelnemers aan dat bankentrio, de Belgisch-Nederlandse Fortis en de Royal Bank of Scotland, moesten een jaar later door hun overheden gered worden met samen tientallen miljarden. Santander bleek eind vorig jaar in de financiële crisistest van de Europese bankentoezichthouder de bank met het grootste tekort: 15 miljard euro. Dat tekort kon de bank rap wegwerken door her en der tafelzilver te verkopen.

De critici van Wellink lieten zich ook zand in de ogen strooien door de ordening van het Spaanse bankwezen. De markt zit vol met regionale (spaar)banken die beheerst worden door lokale politici. Dat heeft de Spaanse markt gemeen met bijvoorbeeld de Duitse en diens regionale Landesbanken, die eigendom zijn van regionale overheden. Bankbazen blijken door hun kuddementaliteit al geen vaardige kapiteins, maar de combinatie van bankgeld en politiek aandeelhouderschap is een recept voor kredietverlening tegen de klippen op. Kredietgroei is voor een politicus economische groei. Hoe meer, hoe beter. Stroppen zijn van later zorg.

De critici van Wellink hebben zich het meeste zand in de ogen laten strooien door het nieuwe, kameleontische karakter van het ontketende bankwezen. In de kredietcrisis van augustus 2007 veroorzaakten goedkoop geld, slap toezicht, roekeloze geldbeheerders en 24-uurs financiële vrijhandel een economische krach. De financiële wereld stond opeens aan het beginpunt van de neergang en niet zoals gebruikelijk aan het slot. In de traditionele economische neergang moeten eerst burgers en bedrijven door de verliezen en de zure inkomensneergang bijten. De banken krijgen vervolgens te kampen met de kredieten die bedrijven en burgers niet meer aan kunnen. De banken fungeren op die manier als finale stootkussens in de economie. Bij hen gaat het als laatste slecht, want het duurt een paar jaar voordat alle verliezen en dreigende stroppen door het economische systeem zijn geduwd en bij de banken belanden.

Zo ging het altijd. Zo gaat het nu weer. De verliezen in de burgers- en bedrijveneconomie komen uiteindelijk deels bij de banken terecht. In Spanje worden de banken nu geroosterd door stroppen op vastgoed en projectontwikkeling. Foutje van de toezichthouder.

In Nederland gebeurt hetzelfde. De Friesland Bank moest al gered worden. SNS Reaal meldde vorige week een gevoelige, tweederde daling van de kwartaalwinst van zijn bedrijvenbank door het bankroet van 1 (één) grote klant.

De kredietcrisis lijkt wel bezworen. De kredietencrisis begint.

Menno Tamminga