De Bovenbazen (13)

Het optreden van de kassier had onmiddellijk gevolg. Uit de zoldering van heer Bommels kluis zakte een zware loden kist over de geldhoop heen en onttrok die zodoende geheel aan het gezicht. Nu kwam er ook een einde aan de muntenstroom en een plotselinge rust daalde over het bewogen bankgebouw.

In deze stilte klonk heer Ollies stem ijl door de gangen.

‘Wat gebeurt er toch?’, zo riep hij uit. ‘Zeg eens iets, Tom Poes! Wat betekent dit allemaal?’

Tom Poes stond echter met de mond vol tanden. Hij had in het geheel geen verstand van geldzaken en daarom tastte ook hij in het duister. Doch gelukkig verscheen er nu een keurige figuur in de kluisopening, die geruststellend glimlachte.

‘Maakt u zich geen zorgen, meneer Bommel’, sprak deze. ‘Uw kapitaal is in goede handen. Mijn naam is Steenbreek. Uw dienaar, meneer.’

‘O’, zei heer Ollie. ‘Zo. Nu, maar ik wil mijn geld terug hebben, als u dat maar weet! Niet meer, maar ook niet minder. Het speelt geen rol, maar ik ben er toch aan gehecht.’

‘Alles komt in orde’, hernam de ander. ‘Ik merk dat u niet geheel begrijpt wat er gebeurd is. Uw kapitaal is slechts geïsoleerd, meneer.’

‘Geïsoleerd?’, riep heer Bommel geprikkeld uit.

‘Juist’, zei de heer Steenbreek met een fijne glimlach. ‘Dat is de reden van mijn komst. De president van de Aard-Bank wil u graag even spreken. Deze kant uit, als ik u verzoeken mag.’