Betrouwbaar NAVO-lid, voor al uw conferenties

De NAVO-top was dit weekeinde nog niet eens begonnen, of Nederland stond er alweer mooi op. Een pijnlijk gevalletje van onbegrip over de grote wereld.

Voor de denktank Chicago Council on Global Affairs hield premier Rutte zaterdag een toespraak over de toekomst van de NAVO. Natuurlijk ging het ook over Nederland. De premier benadrukte voor zijn Amerikaanse gehoor dat Nederland een betrouwbare en actieve bondgenoot is. „Bijvoorbeeld”, verduidelijkte hij, „zijn we onlangs graag ingegaan op het verzoek om de volgende topconferentie over nucleaire veiligheid te organiseren.”

Zo zie je maar, ook een klein land gaat zijn verantwoordelijkheden niet uit de weg. Oké, we hebben net een miljard op defensie bezuinigd, in Afghanistan hebben we alleen nog boots on the ground voor de bescherming van een bescheiden politie-trainingsmissie, in de Libië-oorlog lieten we het zware en vuile werk (bombarderen) graag over aan andere bondgenoten – maar heus, we zijn een actieve en betrouwbare partner in het belangrijkste militaire bondgenootschap van de wereld, want … we gaan een conferentie organiseren!

Het moet voor de Amerikanen een hele opluchting zijn geweest. Decennialang klagen ze erover dat de Europeanen te weinig bijdragen aan de gezamenlijke defensie, en nu komen de Nederlanders eindelijk over de brug. Hun tanks hebben ze allemaal afgeschaft, maar op vergadergebied staan ze hun mannetje.

Zo’n NAVO-top met al zijn vlaggen en ceremonieel lijkt al gauw een feestelijke bekrachtiging van de nauwe banden tussen Europa en de Verenigde Staten en Canada. Al meer dan zestig jaar is het bondgenootschap de pijler van die transatlantische relatie, en waarom zou dat ook de komende jaren niet zo blijven?

Wie zo denkt, vergist zich. Voor de Verenigde Staten is het strategische belang van Europa nog altijd groot, maar het oude continent staat niet meer centraal in het Amerikaanse buitenlandse beleid. Washington richt zijn focus steeds meer op Azië. Waarschijnlijk doelde premier Rutte daar ook op toen hij in zijn rede in vage termen sprak over „de accentverschuiving in de Amerikaanse buitenlandse politiek”.

Die verschuiving betekent dat voor de Amerikanen ook het belang van de NAVO verandert. Nog altijd is de wederzijdse veiligheidsgarantie van de lidstaten de basis van de alliantie – wat vooral neerkomt op Amerikaanse afschrikking van eventuele bedreigingen van Europese lidstaten. Maar de ambities van de NAVO reiken verder, en beperken zich allang niet meer tot de eigen regio – zie Afghanistan, zie Libië.

Voor de Amerikaanse regering is het bondgenootschap één van de instrumenten waarmee ze een internationale crisis kan aanpakken. Maar dan moeten de Europeanen wel willen meedoen – en meebetalen – en zonodig ook het voortouw nemen, zoals in Libië. Zijn ze daartoe bereid? En hoeveel hebben ze er voor over? Dat zijn de vragen waar het de komende jaren bij de NAVO om draait.

De nauwe band tussen de Verenigde Staten en de andere NAVO-landen is niet meer zo vanzelfsprekend en exclusief als vroeger. Ook landen die geen lid zijn van het bondgenootschap, zoals Australië en Zweden, nemen tegenwoordig volop deel aan militaire operaties van de NAVO. Terwijl landen die wél lid zijn van het bondgenootschap soms besluiten om bij een bepaalde oorlog maar even aan de kant te blijven staan, zoals Duitsland in de Libië-oorlog.

De tijd van ‘samen uit, samen thuis’ is voorbij. De band is losser geworden. Coalities van bereidwilligen binnen de NAVO zijn inmiddels de praktijk.

Maar een bondgenootschap kan niet overleven zonder onderlinge solidariteit. Dat betekent dat iedere lidstaat zich moet afvragen welke prijs de NAVO hem waard is. Het organiseren van conferenties en politietraining is waarschijnlijk niet genoeg.