Yannick, de onstuitbare

Yannick Nézet-Séguin (37) is chef-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Hij leidde alle toporkesten behalve Chicago en Leipzig – „ik was er geboekt, maar ik was oververmoeid” – en het Concertgebouworkest. Bij De Nederlandse Opera dirigeert hij nu Verdi’s Don Carlo. „Ik ben van nature een energiek type, dat scheelt.”

Stilte in De Doelen. Er wordt geconcentreerd gewerkt deze vrijdagochtend. Het zijn de laatste uren om alle details in Brahms’ Eerste symfonie en Dubbelconcert onder elkaar te krijgen. „Nee, nee…. U speelt te luid”, zegt chef-dirigent Yannick Nézet-Séguin. „De hele ochtend al! Ik boek dat als een Don Carlo-kater van gisteravond. Maar vanavond op het concert...”

Hij slaat zijn handen ineen en buigt het hoofd. „Alstublieft.”

Voor veel dirigenten is Brahms een meesterproef. Druk maar eens een eigen stempel op diens mix van classicisme en romantiek, laat maar horen hoe subtiel alle lagen in zijn symfonieën zijn opgebouwd zonder het geheel samen te drukken tot orkestrale spekkoek. Een eigen visie op Brahms realiseren betekent: stress. En helemaal als je de vorige avond net een voorstelling van Verdi’s Don Carlo hebt gedirigeerd in een andere stad. Zou je denken.

Maar Yannick Nézet-Séguin denkt niet zo. Brahms is zijn lievelingscomponist, Don Carlo zijn lievelingsopera. En bovendien, zo citeert hij monter lachend zijn voorganger Valery Gergjev, „dirigeren vermoeit me niet”. Dus telt zijn agenda deze maand zestien concerten waarin hij pianospeelt of als dirigent actief is in opera (Don Carlo bij DNO en Ravel op de Rotterdamse Operadagen) én symfonisch repertoire. Daar bovenop komen nog 55 uur aan repetities (partituurstudie niet meegeteld).

Hij oogt desondanks fris, vanmiddag, geflankeerd door beide ouders. „Mooi was het!”, glunderen die. Don Carlo was een delight en ze verheugen zich op de Brahms vanavond. Tweemaal dezelfde glanzende zwarte ogen, hetzelfde stevige, korte postuur. Net als hun zoon.

„Het geheim van mijn enorme uithoudingsvermogen?” Nézet-Séguin grinnikt erom. „Ik ben van nature een energiek type, dat scheelt. Ik jog en ik sta vijf dagen per week in de sportschool – dat scheelt óók. Tot laat uitgaan – daar hoed ik me veelal voor. De rest is een kwestie van plannen. In de auto van Amsterdam naar Rotterdam heb ik gisteren na Don Carlo vast op Ravel gestudeerd. Pianospelen in Brahms Liebeslieder Waltzer is volgende week minder eng omdat ik vorige week in Bachs Vijfde Brandenburgse concert al klavecimbel heb gespeeld. En dat was weer minder eng omdat ik datzelfde programma in januari al in Philadelphia had gespeeld. Zo probeer je alles in elkaar te passen.”

Het was Jan Raes, nu directeur van het Amsterdamse Concertgebouworkest en daarvoor van het Rotterdams Philharmonisch Orkest, die de toen nog onbekende Nézet-Séguin vijf jaar geleden net op tijd voor Rotterdam wist vast te leggen.

Sindsdien is de internationale opmars van ‘Yannick’ met zijn wondermix van jongensachtige charme, intuïtieve muzikaliteit en vriendelijk gezag onstuitbaar. Hij leidde alle toporkesten ter wereld behalve Chicago en Leipzig – „ik was er geboekt, maar ik was oververmoeid” – en, ironisch genoeg, het Amsterdamse Concertgebouworkest.

Raes wilde Yannick exclusief voor Rotterdam behouden en bouwde een clausule in zijn chefscontract die maakt dat hij binnen de Benelux vooralsnog ook echt alleen het Rotterdams Philharmonisch zal leiden. „De komende vier jaar zitten al stampvol, maar daarna zou ik met het Concertgebouworkest dolgraag kennismaken” zegt hij. „En mocht het gebeuren, dan ben ik een historisch unicum! Er heeft nog nooit een Rotterdamse chef-dirigent het Concertgebouworkest gedirigeerd. Het Rotterdams Philharmonisch zal vanaf 2013-14 wel een eigen serie van zes concerten gaan brengen in het Amsterdamse Concertgebouw. Die plannen zijn in een vergevorderd stadium. In het gebouw zal ik dus hoe dan ook regelmatig dirigeren.”

De Rotterdamse musici zijn inmiddels vertrouwd met hun nieuwe chef. Concertmeester Igor Gruppman aarzelt niet het woord te nemen als er een onduidelijkheid is over een streek of inzet. Nézet-Séguin blijft opbouwend, ook als het samenspel tussen het orkest en violiste Lisa Batiashvili in Brahms’ Dubbelconcert ettelijke malen in dezelfde passage ontspoort. Al zie je hem dan even worstelen met zijn diplomatie. „Eh….jazeker! We zijn er bijna! Dit is ook een heel delicaat moment, hè?”

Uw internationale ster is rijzende. Hoe lang kan Rotterdam u nog vasthouden?

„Toen ik hier kwam heb ik gezegd: tien jaar. Dat vind ik nog steeds een mooie periode. De bedoeling was en is dat Rotterdam en ik samen opgaan in het vestigen van onze internationale reputatie. Dat is de afgelopen jaren gelukt, denk ik. Ik geloof echt in het investeren in lange relaties. De wederzijdse liefde was meteen groot, maar kwam ook deels voort uit de spanning van het onbekende. Nieuwe relaties vragen altijd relatief veel energie. Nu gaat alles veel vanzelfsprekender. Muziek maken wordt hier voor mij nu eindelijk weer een beetje zoals het tweehonderd jaar geleden moet zijn geweest. Je staat op, je eet, je maakt muziek, je slaapt…..”

…. en zie: er komt energie vrij voor een nieuwe uitdaging. In september begint u als chef van het gerenommeerde Philadelphia Orchestra. Is dat te combineren?

„Waarom niet? Mariss Jansons is ook chef in Amsterdam en München. Logistiek is het natuurlijk een helse puzzel, die door de planners in Rotterdam en Philadelphia dapper wordt ingevuld. „Als wij dan en dan in China zijn, kunnen jullie dan misschien…..” (lacht)

„Maar mijzelf brengt de keuze voor twee chef-schappen vooral meer rust en meer mogelijkheden me te ontwikkelen. Naast mijn zestien weken in Rotterdam heb ik de afgelopen jaren veel orkesten als gastdirigent leren kennen. Nu begon ik te verlangen naar meer stabiliteit en mogelijkheden om echt iets op te bouwen met een orkest. En reizen tussen twee thuisfronten lijkt me ook gezonder dan tussen tientallen steden.”

Wat is er aantrekkelijk aan Philadelphia?

„Het is heel spontaan in zijn werkwijze, meer dan je zou verwachten van een Amerikaans orkest; die hebben toch een beetje de reputatie van geoliede, luide machines. Maar naast die spontaniteit speelt het orkest ook heel ‘schoon’, en is het snel van begrip. Eigenlijk konden we, heel anders dan hier in Rotterdam, meteen met elkaar lezen en schrijven. Mijn taak is er wezenlijk anders.

„In Rotterdam is ons doel de naam van het orkest op de kaart te zetten, in Philadelphia is het meer een kwestie van het heroveren van de oude reputatie en het bijbehorend publiek. De liefhebbers van het eerste uur zijn de laatste tien jaar, mede sinds de verhuizing naar een nieuwe zaal, afgehaakt. Ze koesteren ‘hun’ orkest nog wel als instituut, maar komen niet meer standaard luisteren. Dus ben ik, sinds mijn aanstelling, ermee begonnen te proberen een sfeer van opwinding te herstellen, omdat mede dáár die betrokkenheid wortelt. De oude, genereuze klank die in beter tijden typerend was voor het orkest, was niet mijn grootste zorg. Die bleek er gewoon nog te zijn.”

Spontaan en genereus – dat zijn termen die Rotterdam ook passen.

„Zeker, in de klankcultuur van beide orkesten zijn overeenkomsten. En ook voor het repertoire dat ik hier en daar dirigeer geldt dat. In Rotterdam wilde ik een tijdlang niet komen aan het Russische repertoire, omdat daarop al de nadruk lag onder mijn voorganger Gergjev. In Philadelphia deed Charles Dutoit veel Franse muziek, net als ik hier in Rotterdam. Daardoor is er nu bij beide orkesten op dit moment juist behoefte aan Russische muziek. En ik wil ook meer nadruk gaan leggen op eigentijdse muziek.”

In tijden van crisis lijken orkesten vaak juist meer op safe te spelen.

„Niemand wil zijn publiek wegjagen. Maar dat hoeft ook niet. Smaak en vertrouwen kun je opbouwen. Een combinatie van de Negende symfonie van Beethoven met Kurtágs Songs of Despair and Sorrow werkte hier recent heel goed. Maar je moet in elk nieuw stuk dat je brengt wel echt geloven.”

Ooit was u ook erg gebrand op het verankeren van het orkest in de stad, educatie, community arts…

„Ja, en we hebben ook geëxperimenteerd met prepubers die het orkest mochten dirigeren, een hele dag kwamen kennismaken. Het leidde uiteindelijk tot weinig. Nu organiseren we concerten voor twintigers en dertigers, in de hoop dat die over vijf of tien jaar met hun kinderen terugkomen naar een van onze kinderconcerten. Het duurt even, maar zo bind je dan toch weer twee generaties aan het orkest.”

Het Rotterdams Philharmonisch is zich steeds meer internationaal gaan profileren. Waarom?

„Elk zichzelf respecterend orkest moet voortdurend blijven werken aan zijn spel én aan het verkrijgen van de roem die het verdient. Dat betekent ook: meer reizen, cd’s maken, op tournee. Voor orkesten is het doordringen en blijven behoren tot de internationale top een vicieuze cirkel: je zorgt dat je goed presteert, dat is de basis, vervolgens neem je cd’s op en word je uitgenodigd voor belangrijke concertseries in het buitenland. Ik ken de kritiek op tournees – duur, zinloos – maar ik geloof zelf dat ze waardevol zijn, voor musici én voor luisteraars. Musici kunnen zich presenteren, ideeën uitwisselen, kennismaken met andere culturen. Luisteraars krijgen de kans manieren van muziek maken te vergelijken.

„Als jongen in Montreal voelde ik me diep ongelukkig omdat er nooit eens een internationaal orkest te horen was. Het is toch fantastisch dat je in de grote steden de hele wereldtop kunt beluisteren?”

Don Carlo van Verdi bij De Nederlandse Opera t/m 30/5. Brahms’ Liebeslieder Waltzer met musici uit het RPhO, 24/5 De Doelen Rotterdam. Opera’s van Ravel (Ma Mère L’Oye en L’Enfant et les Sortilèges), Rotterdamse Operadagen, 31/5 De Doelen Rotterdam. Het Brahms-festival van het RPhO gaat verder in november.