WRR teleurstellend en saai over privatisering

Het recente rapport van de WRR over het publieke belang bij marktwerking maakt geen duidelijk onderscheid tussen publiek en privaat. Dan komt het afleggen van verantwoording er slecht van af en dan is een nieuwe Franse Revolutie nodig, stelt Frank Ankersmit vast.

Tot eind jaren zeventig hadden we de verzorgingsstaat, met als doel ‘de verzorging van de wieg tot het graf’, maar dit werd allemaal veel te duur. De staat moest dus weer terug in zijn hok, maar ja, wat was dat hok ook al weer? Hierop had niemand een goed doordacht en principieel antwoord. Wel was iedereen het erover eens dat een staat die weer braaf in zijn hok zit goedkoper moest zijn dan een staat die daarbuiten los rondloopt. Hoe bereik je dit? In grote lijnen langs twee wegen.

In eerste instantie door de verkoop van voormalige staatsbedrijven als de Postbank, DSM, Hoogovens/Corus, de NIB, KPN/Telecom of KLM. Zij verleenden geen collectieve diensten en waren dus sowieso een oneigenlijk deel van de staat. Dit is helemaal waar. Het gevolg was wel dat de staat de niet onaanzienlijke inkomsten van deze bedrijven kwijt was. Bovenal: wat je verkoopt, ben je kwijt – maar hierover hoorde je bij die privatiseringen nooit iemand. Er was alleen aandacht voor wat zo’n verkoop de staat (eenmalig) opleverde.

Vervolgens werd een aantal van de eigenlijke collectieve diensten geprivatiseerd of verzelfstandigd. Uit de cijfers blijkt dat de omvang van de collectieve sector hierdoor niet substantieel verminderde. Alleen heeft de staat geen greep meer op het verzelfstandigde deel ervan. Waar dit toe leidt, lezen we dagelijks in de krant. Tel uit je winst.

Er is dus alle reden om je af te vragen wat dit alles heeft opgeleverd. Met spanning begon ik daarom aan het recente, door prof.dr. G.H. de Vries vervaardigde WRR-rapport Publieke Zaken in de Marktsamenwerking (zie ook het interview met De Vries in deze krant van 12 april). Centraal staat daar de vraag of marktwerking in het publieke domein een goede zaak is en wat er eventueel te verbeteren valt aan die samenwerking van de staat en de markt.

Laat ik maar met de deur in huis vallen: ik vond het een teleurstellend rapport. Niet omdat ik het met de conclusies oneens zou zijn – in dat vlak heeft het rapport eigenlijk weinig te bieden – maar vooral vanwege het oppervlakkige karakter ervan, zowel qua stijl als inhoud. Wat de stijl betreft: het is ongetwijfeld een van de saaiste teksten die ooit uit iemands pen zijn gevloeid. Nergens tref je een diepzinnig en pakkend verwoord inzicht, nergens een suggestieve metafoor en nergens een teken dat de auteur aan het schrijven van dit stuk enige intellectuele vreugde ontleende. Het betoog herinnert aan Marsmans rivieren die traag door een oneindig laagland gaan, maar dan wel zonder de ijle populieren die als hoge pluimen aan de einder staan. Het valt niet mee om er wakker bij te blijven.

Maar goed, dit soort rapporten wordt niet geschreven om de Nobel-prijs voor de literatuur te winnen. Dan dus de inhoud. Origineel is ontegenzeggelijk het uitgangspunt dat je het debat over de verhouding tussen staat en markt moet tillen naar een hoger niveau, dat hen beiden omvat. Het rapport kiest hierbij voor het begrip ‘maatschappelijke ordening’. De suggestie is dat je met dit begrip in het achterhoofd de rollen van overheid, markt en samenleving kan (her)definiëren en die van de marktwerking in het bijzonder, waarbij je je natuurlijk moet onthouden van de pretentie eeuwige, absolute waarheden te kunnen bieden.

Dit is een mooie en diepzinnige gedachte. Ze had aan het debat over publiek en privaat zeker een nieuwe draai kunnen geven, maar deze belofte wordt jammer genoeg niet waar gemaakt. De verklaring hiervoor is dat de voorgestelde aanpak alleen succes kan hebben als je dat hogere niveau van die ‘maatschappelijke ordening’ en dat lagere van de staat en de samenleving e tutti quanti zorgvuldig uit elkaar houdt. Zo mag je begrippen als mens, huis of hond ook niet definiëren met definities waarin die begrippen mens, huis of hond zelf al voorkomen.

Dit is waar het misgaat met het rapport – eigenlijk meteen al. In dat begrip ‘maatschappelijke ordening’ zit het begrip maatschappij. Het gevolg hiervan is dat het hele betoog wordt getrokken in de richting van de maatschappij (en wat je hiermee kan of wil associëren). Had De Vries gekozen voor het begrip ‘rechtstatelijke of juridische ordening’, dan was hij op heel andere en waarschijnlijk zelfs tegengestelde conclusies uitgekomen, namelijk dat bij bij alleen marktwerking de dimensie van verantwoording afleggen verdwenen is. Zie bijvoorbeeld de recente geschiedenis van het spoor.

Wilde de door De Vries voorgestane aanpak van een orde boven markt en staat lukken, dan had hij dus moeten kiezen voor een ander begrip voor die orde, een begrip dat minimaal neutraal is ten aanzien van de staat en de samenleving.

Ik moet bekennen dat een begrip dat aan die eis voldoet mij zo gauw niet te binnen wil schieten. Daarom komt mij voor dat dat onderscheid tussen de staat en de samenleving – of tussen publiek en privaat – absoluut basaal is en dat hier niet nog iets ‘diepers’ onder zit. Een aanwijzing in deze richting is het feit dat het onderscheid tussen publiek en privaat belang al werd gemaakt door de Romeinse rechtsgeleerde Ulpianus, in de derde eeuw na Christus, dat het daarna nooit meer is weggeweest en dat het zelfs de basis vormt van de moderne politieke orde zoals die ontstond met de Franse Revolutie. De Franse revolutionairen braken met het feodalisme en het Ancien Régime, omdat daar publieke bevoegdheden in private handen lagen. Ze realiseerden zich dat juist dat de oorzaak was van alle misstanden van het Ancien Régime.

Natuurlijk kun je niet uitsluiten dat de distincties tussen staat en samenleving of tussen publiek (belang) en privaat (belang) een keer hun zin en betekenis zullen verliezen, maar als je denkt dat dit het geval is, moet je daar wel een volstrekt overtuigende redenatie voor opzetten. In de eerste plaats omdat we dan blijkbaar een wereld hebben betreden die wezenlijk anders is dan alles wat we hebben gehad vanaf Ulpianus tot nu. Dat is nogal een claim, om het zacht uit te drukken. In de tweede plaats: als je je toch met die claim vergist, kun je niet meer vaststellen of er sprake is van een ongewenste verhouding tussen het publieke en het private belang. Je hebt deze begrippen dan immers opgegeven als zinvolle instrumenten om de wereld te begrijpen. Dan kan het zo wezen dat je weer in een moderne vorm van Ancien Régime terechtkomt.

Veel van wat tegenwoordig in de zorg, in scholen, woningcorporaties et cetera misgaat, wijst inderdaad in die richting. De constante is daar steeds dat publieke bevoegdheden in private handen kwamen. Een nieuwe Franse Revolutie is daarom zo gek nog niet.

Frank Ankersmit is emeritus hoogleraar intellectuele geschiedenis aan de Rijksuniversiteit Groningen.