Wiegel denkt dat SP-leider Roemer héél graag wil regeren

De column van Jan Terlouw in Trouw, leest u die? Die van Annemarie Jorritsma in het AD, of Rudolf de Korte in de Volkskrant?

Nee, die leest u nooit, want ze bestaan niet. Politici mogen het tot vicepremier schoppen, soms zelfs partijleider, maar zodra je de landspolitiek verlaat ben je weg, uit de macht, uit de media. Journalisten bellen zelden. Opinieredacties halen de neus op voor een column. Alles van vroeger is jammer.

De uitzondering is Hans Wiegel (70). Geen oud-vicepremier had de laatste decennia zoveel greep op het opinieklimaat als hij. Dertig (!) jaar geleden verliet hij de landspolitiek, in 1982. Na vier jaar vicepremierschap en elf jaar VVD-leiderschap. Sindsdien is hij nooit uit beeld verdwenen. Als bestuurder, commissaris, commentator, lobbyist, columnist. De kranten benaderen hem nog steeds, de camera houdt onverminderd van hem. De talkshows zijn blijven bellen.

„Eén op de vijf verzoeken honoreer ik. Hooguit”, vertelde hij woensdag, thuis in Friesland. Een prachtig huisje aan het water, op zo’n plek waar alleen de wind iets van onrust brengt. Hij schrijft er zijn stukken – met de hand, zeer exact – waarna zijn secretaresse ze uittypt. De laatste jaren had hij een spraakmakende column in wijlen De Pers, sinds kort in NRC Handelsblad. „Heel goed’’, zei hij over dit laatste. „Dan word je in Den Haag gelezen.”

Weinig naoorlogse politici hadden een beter gevoel voor maatschappelijke onderstromen. Lees de drie verkiezingsprogramma’s waarmee Wiegel in de periode ‘72-‘81 het grote polarisatiespel met Den Uyl speelde. Frappant hoezeer de politiek sindsdien zijn richting opschoof – zo ijverig dat ook de PvdA hem nu vaak rechts passeert. Bovendien was hij de eerste naoorlogse populist op rechts. De voorloper van Fortuyn, Verdonk en Wilders – al zou je dit niet zeggen als je hem woensdag zag, in spijkerbroek en gebreide trui.

Hij verzoende de gewone man met behoudende economische politiek door het misbruik van uitkeringen aan de kaak te stellen. „Ja”, zei hij. „Ik ben ook een populist. Daar zit ik niet mee. Daar heeft de VVD haar doorbraak aan te danken.” Voor opvolgers als Fortuyn en Verdonk had hij een zwak. Hij zou Fortuyns premierkandidaat zijn geweest als de LPF-leider in leven was gebleven. „Die deal hadden we.” Laatst keek hij oude interviews met Pim terug. „Volkómen actueel, voor 95 procent mee eens.”

Hij paste de moderne medialogica – controverse loont – toe voordat dit in het internettijdperk gemeengoed werd. Alle VVD-leiders na hem leden eronder, van Nijpels tot en met Rutte. Vandaar de kloof tussen VVD-kiezers, die hem bleven bewonderen, en VVD-beroepspolitici, die beducht voor hem zijn. In Den Haag doen ze zijn kritiek af als ‘getoeter’: heb je Wiegel weer. Zelf citeert hij in dit verband graag ex-partijvoorzitter Frits Korthals Altes die in 1993 zei: ,,Maar Hans had wel gelijk.’’ Hij keek er innig tevreden bij: voilà.

Geen van zijn opvolgers, ook Rutte niet, durfde de strijd openlijk met hem aan, mede omdat zijn relatie met journalisten voortreffelijk bleef. Hij zegt dingen die verslaggevers innig tevreden stellen, bijvoorbeeld dat „die spin doctors verschrikkelijk zijn’’. Hij heeft nooit met ze gewerkt. „Als het op propaganda aankomt doe ik de contacten zelf. Altijd gedaan.’’ Hij vindt verslaggevers „gewoon leuk gezelschap”, zei hij. Als een ‘Pietje Politiek’, hij blijft een hartstochtelijk liefhebber, vindt hij het „heerlijk” het Haagse spel met journalisten door te nemen. „Pientere types. Altijd bereid tot een rottige opmerking.”

Het lijntje met De Telegraaf is altijd kort gebleven. Binnenkort gaat hij weer eten met Paul Witteman (VARA) en Jan Tromp (de Volkskrant), in zijn Haagse jaren een gevierd verslaggeverduo van de VARA. Hij kijkt er naar uit. Avondjes van spot en pesten zijn het, vertelde hij. En maar lachen. Hij frequenteert meer zulke gezelschappen. Zo prikt hij op gezette tijden ook een vorkje met een paar ‘mannenbroeders’, onder wie publicist Marcel ten Hooven (ex-Trouw, ex-Vrij Nederland) en politiek columnist Hans Goslinga (Trouw). „Voortreffelijk journalist’’, zei hij over Goslinga.

De Wereld Draait Door doet hij niet. „Een adhd-programma.’’ Pauw en Witteman is hem te laat op de avond maar éénmaal per seizoen gaat hij, omdat „de heer Witteman zo aardig is’’. Nog steeds is hij voor elk tv-optreden nerveus. Het komt door zijn verlegenheid, zei hij, maar evengoed stimuleert die nervositeit zijn gevatheid. Als Wiegel komt, gebeurt er nu eenmaal iets. Hij wil ze niet teleurstellen. Dat is zijn aard.

Al die optredens scheppen het beeld van een poseur – maar het haarfijne gevoel voor maatschappelijke onderstromen is nooit verloren gegaan. Zo zorgde hij er in 2010 voor, als informateur bij de collegeonderhandelingen dat zijn partij (en het CDA) in Noord-Brabant de SP voor het eerst in de geschiedenis een zetel in het provinciebestuur gunden. Een doorbraak. Een Wiegeliaans waagstuk.

Met smaak vertelde hij hoe de SP-fractievoorzitter, „zo’n man uit de gestaalde kaders’’, de oud-VVD-leider vol ongeloof aankeek toen hij de SP de mogelijkheid voorhield: „Méént u dat?” Waarop Wiegel: „Ik zit hier niet voor de kat z’n staart!” Hij hield de SP een paar worsten voor – „ouderenbeleid, openbaar vervoer, natuur, nog iets” – en zei: dit is het, mensen. „De rest van jullie wensen moet je vergeten.’’

Opnieuw was zijn intuïtie juist. „De SP is een partij van goede wethouders. Een echte bestuurderspartij, net als de CPN vroeger.’’ Hij merkte dat de Brabantse SP’ers zich lieten adviseren door de partijleiders Roemer en Marijnissen, en dat die allebei „graag wilden laten zien hoe goed de SP kan besturen’’.

Hans Wiegel voelde de vraag aankomen. Betekent dit, nu de PVV bijna zeker als coalitiepartner afvalt, dat de VVD na de verkiezingen ook met de SP in het kabinet kan samenwerken? „Dat is niet volledig irreëel’’, zei hij. „Een provinciebestuur is natuurlijk geen kabinet. Maar ik zie dat de SP de deur openlaat. En de VVD ook. Dat zegt iets. Roemer speelt het slim. Hij wil laten zien dat de SP klaar is voor het kabinet. Marijnissen heb ik vaker gesproken, die is altijd interessant. Ik denk dat hij en Roemer héél graag willen regeren. Dat biedt openingen, natuurlijk.’’

Binnenkort gaat hij naar het Torentje voor een gesprek met de premier. Zijn partij wacht geen eenvoudige campagne. Door de concurrentie op rechts heeft „Rutte het veel moeilijker dan ik in mijn tijd.” En de PVV is beslist niet uitgeschakeld. Zeker de lastenverzwaringen uit het Lente- annex Kunduz-akkoord zijn „gefundenes Fressen voor Wilders’’.

Regeren met alléén links, na de breuk met Wilders en door fragiele toestand van het CDA niet geheel ondenkbaar, heeft hem nooit getrokken. Hij vertelde hoe hij er in 1981 opkwam in de campagne te pleiten voor een nationaal kabinet. In zijn fractie wilden sommige leden oversteken naar alleen links, PvdA en D66, en daar zag hij niets in. „Ik dacht: hoe doe ik dit?” Zo kwam hij op dat nationale kabinet. „Iedereen tevreden.”

Ik zei: is een nationaal kabinet dan ook geen mooie voor de VVD in deze campagne? Enorme crisis, grote vraagstukken, tijd om samen te schouders eronder te zetten – zoiets?

Hans Wiegel keek me even onderzoekend aan. Hij zei: „U brengt me op een idéé.”