Wat Europa wel helpt: inflatie

De eurocrisis wordt verkeerd aangepakt. De rijkere eurolanden moeten lonen en prijzen laten stijgen. Dit helpt Zuid-Europa meer dan alleen maar strenge bezuinigingen, stelt Bert de Vries.

Illustratie Martin Sutovec

De euro is mislukt. Voor onbevangen buitenstaanders is dit al geruime tijd duidelijk. De noordelijke eurolanden leven daarentegen nog in de ontkenningsfase. De Grieken zitten al in de fase van de woede. Spanjaarden en Portugezen hangen hier tegenaan. Nu de ene na de andere regering valt over de rampspoed die wordt aangericht om hun land binnen de eurozone te houden, is het overduidelijk dat Europa veel te lichtzinnig is begonnen aan het avontuur van de muntunie.

De euro heeft een enorme impuls gegeven aan de vervlechting van het Europese financiële stelsel. De risico’s van het beleggen in zwakke landen zijn zwaar onderschat. De ontvlechting die zich in de private sector voltrekt, gaat gepaard met hoge kosten en het verleggen van nauwelijks meer te behappen risico’s naar de publieke sector. Intussen is het bankwezen in verschillende landen zozeer verzwakt dat het zijn normale dienstverlening aan de reële economie niet meer kan vervullen.

Kiezers die de astronomische bedragen die hiermee zijn gemoeid voorbij zien komen, vragen zich wanhopig af waarom zij hiervoor de rekening gepresenteerd moeten krijgen, in de vorm van een keihard saneringsbeleid. Zelfs velen die met hun verstand beseffen dat het financiële systeem gered moet worden om nog erger te voorkomen, worden opstandig als ze zien dat de veroorzakers van de crisis er het minst onder lijden.

De Griekse economie wordt niet gered als we morgen de Griekse overheid en banken al hun schulden kwijtschelden. Overmorgen zal dan blijken dat het land nog steeds veel meer invoert dan uitvoert. Hierdoor ontstaan weer nieuwe schulden aan het buitenland. Als we dit met euro-obligaties financieren, zullen de Grieken er nog heel lang mee doorgaan.

Om dit probleem op te lossen, bestaat er op middellange termijn maar één methode: de invoer zover afknijpen dat hij krimpt tot het niveau van de uitvoer. Vroeger konden landen dit bereiken door hun munt fors te devalueren en/of door het heffen van hoge invoerrechten. Binnen een muntunie kan dit niet meer. Het enige resterende middel is een interne devaluatie die neerkomt op een drastische verlaging van het binnenlandse loon- en prijspeil. Hierdoor gaan niet alleen de bestedingen fors omlaag, maar explodeert ook de werkloosheid.

De neoliberale mantra dat zo’n uitzichtloze, neerwaartse spiraal doeltreffend met structurele hervormingen kan worden bestreden, getuigt van bedroevend weinig inzicht. Voor herstel van groei en werkgelegenheid heb je krachtige bedrijfstakken nodig die de concurrentie met het buitenland in alle opzichten aankunnen. Zulke bedrijfstakken komen niet vanzelf tot ontwikkeling als je maar genoeg hervormingen van de arbeidsmarkt doorvoert en lage loonkosten en een aantrekkelijk vestigingsklimaat creëert. Wie hieraan twijfelt, doet er goed aan om te kijken naar de verkiezingsuitslag in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen. Zelfs na tientallen jaren en de veelgeprezen hervormingen van de regering-Schröder (1998-2005) is het daar niet gelukt voor de achttien miljoen inwoners voldoende nieuwe welvaart en werkgelegenheid te scheppen om de neergang van de verouderde kolen- en staalindustrie te compenseren. Wat voor Noordrijn-Westfalen geldt, geldt voor veel traditionele Europese en Amerikaanse industriegebieden. Het beeld dat Duitsland het zo goed doet, wordt vooral bepaald door de sterke positie van de industrie in Beieren en Baden-Württemberg. Deze deelstaten deden het al goed voor de hervormingen van bondskanselier Schröder.

Groei generen door verbetering van de aanbodstructuur van een economie vergt een lange adem. Dit maakt het niet minder belangrijk, maar op middellange termijn mag er geen substantiële bijdrage van worden verwacht aan herstel van de economische groei. De voorwaarden voor groei worden er ook niet beter op als de hiervoor vereiste dynamiek moet ontstaan in een klimaat waarin burgers alle zekerheden om zich heen zien wegvallen. Dit creëert vooral bange mensen die proberen hun laatste spaarcentjes op veilige buitenlandse rekeningen te zetten. Politica Hannelore Kraft van de SPD heeft dit goed begrepen.

Op korte termijn heeft een krachtig, Keynesiaans stimuleringsprogramma meer effect. Het probleem hiervan is evenwel dat het de toch al grote schuldenproblematiek op lange termijn alleen maar groter maakt. Alleen sterke landen met een niet al te hoge staatsschuld die kunnen lenen tegen een uitzonderlijk lage rente, zoals Duitsland en Nederland, kunnen zich dit een poosje permitteren, maar dat houdt al gauw op.

Als we de muntunie echt willen redden, is er behalve een beleid dat is gericht op interne devaluatie in de zwakke landen een beleid nodig dat is gericht op interne revaluatie in de sterke landen. Alleen zo kan het verstoorde evenwicht in de concurrentieverhoudingen in de eurozone worden hersteld. Concreet betekent dit dat er – onder aanvoering van Duitsland – in de sterke eurolanden een loon-prijsspiraal in gang moet worden gezet, die de binnenlandse bestedingen en de import uit Zuid-Europese landen aanjaagt en de ECB inspireert tot een beleid waardoor de rente in de noordelijke landen oploopt. Hierdoor vermindert ook het risico dat er als gevolg van de extreem lage rente in Duitsland een zeepbel op de huizenmarkt ontstaat. Door zo’n interne revaluatie wordt de last van het stimuleringsbeleid minder eenzijdig gelegd op de overheid. De grenzen ervan komen pas in zicht als de grote betalingsbalansoverschotten van de sterke landen zijn teruggebracht tot bescheiden proporties. Die grenzen komen verder weg te liggen als de hogere inflatie leidt tot een verdere verzwakking van de euro.

In Duitsland worden voorzichtige aanzetten voor zo’n beleid zichtbaar. De angst voor inflatie zit daar evenwel zo diep dat het onwaarschijnlijk is dat dit echt zoden aan de dijk zal zetten. Dit is jammer. Inflatie helpt om het gewicht van oude schulden te verlichten. Hierdoor wordt de last van de crisis voor een groter deel afgewenteld op vermogensbezitters. Is dit oneerlijk? Vermogensbezitters die inflatie als diefstal of financiële repressie verwerpen, hebben evenveel recht van spreken als werknemers die door een hard saneringsbeleid hun baan verliezen – niet minder en ook niet meer!

Tussen 1948 en 1970 bedroeg de inflatie in Nederland gemiddeld 4 procent per jaar. In dezelfde periode steeg de staatsschuld met 25 procent en verachtvoudigde het nationaal inkomen bijna. Mede met dank aan de inflatie daalde de staatsschuld van 185 tot 30 procent van het nationaal inkomen. Mijn generatie herinnert zich die periode als de gouden tijd van welvaartsgroei, volledige werkgelegenheid en opbouw van de verzorgingsstaat. In de economische vakliteratuur uit die tijd staan weinig zorgelijke verhalen over de staatsschuld. In het vak ‘openbare financiën’ werd er tijdens mijn studie nauwelijks aandacht aan besteed.

Anno 2012 neemt een econoom die een beleidsmix zoals hiervoor uiteengezet durft voor te stellen, het risico dat hij niet serieus wordt genomen. Zo’n beleid zal dus ook niet worden gevoerd. Het onvermijdelijke gevolg hiervan is evenwel dat de zwakke eurolanden onder steeds grotere druk komen te staan van hun eigen bevolking en de financiële markten om af te haken. De halfbakken oplossingen waarover tot nu toe wordt gesproken, bieden geen uitkomst. Met het uiteenvallen van de muntunie dient daarom ernstig rekening te worden gehouden. Aan het opvegen van de scherven hiervan zal niemand plezier beleven.

Bert de Vries was minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het derde kabinet-Lubbers.