Uiteindelijk schijnt het licht weer door de ramen

Vrijdagavond wonnen de Suriprofs hun jaarlijkse benefietwedstrijd, tegen FC Groningen met 3-0. Oud-voetballer Edu Nandlal overleefde in 1989 de vliegramp in Suriname. Inmiddels is hij eigenaar van schoonmaakbedrijf Planecrash bv.

Zondagmiddag, half één. In een restaurant in het centrum van zijn woonplaats Utrecht vertelt Edu Nandlal over de vliegramp, nu bijna 23 jaar geleden. Hoe hij in het midden van het toestel zat, maar na de crash door hulpverleners helemaal bij de cockpit werd gevonden. En dat er af en toe nog fragmenten van de uren na de ramp op zijn netvlies verschijnen. „Niet als ik praat, dan ben ik te druk”, zegt hij. „Maar wel als ik volledig rustig en ontspannen ben. Dan ruik ik weer de lucht van kerosine. Dan hoor ik mensen om hulp schreeuwen en voel ik de regen van het oerwoud op mijn huid vallen. Of misschien is het bluswater. Dat weet ik niet precies. Het zijn telkens maar kleine stukjes, de hele film heb ik nooit meer gezien.”

Nandlal was een van de zeventien voetballers die in 1989 op Schiphol in het vliegtuig naar Suriname stapte. Daar zou het Kleurrijk Elftal een vriendschappelijk toernooi spelen.

Nandlal groeide op in Suriname, maar vertrok op zijn zestiende naar Nederland om zijn droom na te jagen: voetbalprof worden. „Het was de eerste keer dat ik terug zou gaan naar mijn geboorteland. Ik kon mijn vrienden vertellen dat het was gelukt om profvoetballer te worden. Ik had een contract bij Vitesse en zou na die zomer naar De Graafschap gaan.”

Van de vlucht herinnert hij zich de deftige pakken van de SLM-stewards, de lichtjes van de huizen in Suriname en de muziek van kawinaband Draver Boys. Tijdens de reis was Nandlal van stoel gewisseld met Jerry Haatrecht, de broer van Heerenveen-speler Winnie. „Hij zat opgevouwen in het midden en wilde daarom graag aan het gangpad zitten. Ik heb ontzettend gelachen met Jerry. Hij praatte plat Amsterdams, dat weet ik nog goed. En verder... het is gelopen zoals het is gelopen. Klaar. Ik weet ook de reden niet dat ik nog wel leef en Jerry niet. Ja, stom toeval. Ik heb een goeie relatie met Winnie en ook met zijn zus. Daar ben ik blij om. Zij zegt altijd: Edu jochie, jij kon er toch ook niks aan doen?”

Een dag later, opnieuw in Utrecht. Nandlal stuurt zijn zwarte bestelbus naar een bedrijventerrein aan de rand van de stad. Onderweg wijst hij naar allerlei kantoren. „Kijk, daar doen we de ramen van.” En: „Zie je dat pand? Doen we ook.” Sinds 2002 is hij eigenaar van Planecrash bv, een schoonmaakbedrijf in Utrecht. De naam van zijn onderneming wijst op een morbide vorm van humor. „Maar het heeft vooral een praktische reden”, zegt Nandlal. Aan de ramp hield hij een incomplete dwarslaesie over. Dat betekent dat hij wel kan lopen, maar met een vreemd hupje. „Als potentiële klanten mij zien komen aanwaggelen, dan moet ik eerst uitleggen dat dat komt door een vliegramp. Voor je het weet ben ik zo een uur verder. Daarom dacht ik: ik noem mijn bedrijf gewoon Planecrash, dan ben ik overal vanaf. Bovendien spreekt uit die naam doorzettingsvermogen en optimisme.”

Maandag is een rustige dag. In de bestelbus neuriet Nandlal mee met Shirley Bassey. Het is zijn lievelings-cd. Vroeger, als verdediger van het tweede team van FC Utrecht, werkte hij al als glazenwasser. Toen was het voor hem een bijbaantje, nu heeft Nandlal twintig man in dienst.

Hij zette het bedrijf in 2002 op met het geld dat hij als schadevergoeding ontving van vliegtuigmaatschappij SLM. „Met een dwarslaesie maak je geen kans in de maatschappij. De zwakkeren vallen als eerste af, zo werkt het gewoon. Daarom ben ik voor mezelf begonnen.”

Dat hij zijn oude beroep van glazenwasser oppakte, was geen toeval. „Dagelijks de ladder opklimmen leek mij een goeie oefening om beter te leren lopen. En mentaal knapte ik er ook van op. Als je vieze ramen begint te zemen, dan zie je langzaam het vuil verdwijnen en uiteindelijk schijnt zelfs het licht weer door de ramen. Ik zie daar een symboliek in. Het ramen zemen is voor mij daarom de beste denkbare therapie.”

Een dag eerder had hij verteld over Riva, zijn zoon. In 2000, nota bene op 7 juni, de dag van de herdenking, werd bij hem een hersenstamtumor geconstateerd, een zeldzame ziekte onder kinderen. Riva zou dit jaar 17 jaar zijn geworden. „In de maanden na de vliegramp, toen ik in een rolstoel dreigde te komen, heb ik gedacht: was ik ook maar dood gegaan. Ik kon die beproeving niet aan”, vertelt Nandlal. „Maar het was achteraf niets vergeleken met de dood van mijn zoon. Die pijn voelde ik letterlijk in mijn botten. Voordat Riva doodging leefde ik mee met de nabestaanden van de vliegramp, maar ik kon hun verdriet niet diep van binnen voelen. Pas na Riva’s dood voelde ik hun pijn écht. Kennelijk was het nu mijn beurt. Maar ik ga niet op zoek naar het waarom. Ik wil verder.”

Op het bedrijventerrein zijn z’n werknemers Marc en Mo al bezig de ramen te lappen van het kantoor. „Doe je een beetje voorzichtig Mo?”, waarschuwt Nandlal als de jongen vreemde capriolen dreigt uit te halen. Vergoelijkend: „Ze zijn nog jong hè, een beetje druistig.”

Zijn twintig werknemers hebben allemaal hun eigen verhaal. Ze hebben leermoeilijkheden of ADHD. Nandlal wil ze op weg helpen. „Natuurlijk maken ze fouten, maar daar kijk ik doorheen. Ze moeten het spel van het leven leren, dat vind ik veel belangrijker. Ik ben directeur van de bv, maar verdien nog minder dan de laagste betaalde. Dat wordt aangevuld met een uitkering. Het lijkt me niet meer dan logisch. Hoe kan ik nou, met mijn snelheid van werken, tegen Marc en Mo zeggen dat ze minder verdienen dan ik?”

Tijd voor lunch. „Gaan jullie mee”, vraagt Nandlal de twee jongens, terwijl hij in zijn bestelbus stapt. „Ik trakteer.” In dezelfde bus werd hij afgelopen kerst aangehouden door de politie. Dat werd een hele toestand. Ze zagen Nandlal aan voor een inbreker toen hij spullen van zijn dochter aan het inladen was. De arrestatie verliep zo ruw dat hij verwondingen opliep. Op het politiebureau kreeg hij naar eigen zeggen stompen in het gezicht. Pas ’s nachts werd hij vrijgelaten. Nandal diende een klacht in, maar die werd ongegrond verklaard door het Openbaar Ministerie.

Hij voelt zich vernederd en wil nu alsnog zijn gelijk halen via een civiele procedure. „De advocaat die mij bijstond tijdens de nasleep van de SLM-ramp zei me al: waar macht in het spel is, daar komen de burgers er het slechtste van af. Dat blijkt. Ze kunnen dus zomaar iemand met een dwarslaesie uit zijn auto sleuren, oppakken en in een isoleercel duwen. Daar neem ik geen genoegen mee. Ik wil me niet machteloos voelen.”

Terwijl hij zijn hamburger naar binnen werkt, checkt hij in de snackbar de staat van de ramen. Dat gaat vanzelf, verontschuldigt hij zich. „Als ze vies zijn, valt het me direct op.” Is hij eigenlijk goed in zijn werk? Nandlal hoeft niet lang over het antwoord na te denken. „Ik ben een heel goeie glazenwasser, dat durf ik wel te stellen. Als het om snelheid gaat, leg ik het af tegen alle andere glazenwassers in Nederland. Maar het gaat niet om snelheid, het gaat om het eindresultaat. En dat is piekfijn in orde.”

Wel geeft hij eerlijk toe: „Ik ben geen goeie ondernemer, want ik werk totaal niet planmatig. Door alles wat ik heb meegemaakt leef ik bij de dag. Morgen bestaat bij mij niet, laat staan de toekomst. Ik heb geen lange-termijn visie en ik heb geen ambitie. Ja, zorgzaam zijn voor de mensen om me heen. Licht door de ruiten laten schijnen. Als me dat lukt, dan ben ik al tevreden.”