Slagveld Afghanistan

Zondag begint in Chicago een top van de NAVO. Meer dan tien jaar na het begin van de strijd in Afghanistan dreigt dit avontuur uit te lopen op de grootste mislukking uit het bestaan van de NAVO. Amerika is oorlogsmoe en de Talibaan oefenen grote invloed uit.

Militairen op straat in Kabul, Afghanistan. Foto’s Katrijn van Giel

De stad krijgt elke dag meer kleur, vertelde een Nederlandse militair in Kabul in februari 2002 enthousiast aan deze krant. De radicaal-islamitische Talibaan waren net verdreven, een internationale vredesmacht van 4.400 man, onder wie 220 Nederlanders, zorgde voor orde en veiligheid in de Afghaanse hoofdstad. Op straat was de sfeer ontspannen, en de bazaar bruiste weer van het leven, constateerde verslaggever Floris van Straaten.

Na decennia van burgeroorlog, buitenlandse bezetting en onderdrukking gloorde weer hoop in Kabul. Onder de Talibaan was huisvrouwen opgedragen om „hun was niet langer buiten op te hangen en hun ramen met zwart papier te bedekken, zodat vrouwen niet van de straat af te zien waren. Nu wappert de bont gekleurde was haast uitdagend op elk balkon.”

Het was eigenlijk zó gebeurd. Op 7 oktober 2001, nog geen maand dus na ‘9/11’, begonnen Amerikaanse bommenwerpers stellingen van de Talibaan te bestoken. Het Afghaanse regime moest omvergeworpen worden omdat het had geweigerd de leiders van terreurbeweging Al-Qaeda, die verantwoordelijk waren voor de terreuraanvallen op New York en Washington, uit te leveren aan de Amerikanen.

Op de grond werden de troepen van de Talibaan aangevallen door hun binnenlandse rivalen (de Noordelijke Alliantie en haar bondgenoten), bijgestaan door Amerikaanse commando’s. In de lucht deden de Britten mee aan de bombardementen. Al snel viel de ene stad na de andere, in november Kabul. Het ergste van de oorlog leek voorbij.

Maar meer dan tien jaar later hebben de Verenigde Staten en hun bondgenoten het Afghaanse slagveld nog altijd niet verlaten. Verspreid over het land verblijven er nu onder leiding van de NAVO zo’n 130.000 buitenlandse militairen, van wie 90.000 Amerikanen. De rest komt uit 49 grote en kleine andere landen. Ze leiden Afghaanse militairen op en proberen voor veiligheid te zorgen en het land te stabiliseren.

Vertwijfeling

Stabiel is Afghanistan nog altijd niet. Elke week sneuvelen er Afghanen en militairen van de internationale troepenmacht – al horen we daar in het Westen maar weinig over. Regelmatig weten de Talibaan en andere opstandelingen bloedige aanslagen te plegen, ook in zwaar bewaakte wijken van de hoofdstad. En in plaats van het optimisme van tien jaar geleden, groeit in Afghanistan diepe onzekerheid over hoe het verder moet als straks de buitenlandse troepen vertrekken. In de rest van de wereld heerst vertwijfeling over wat de zin van de oorlog eigenlijk nog is.

De NAVO had in Afghanistan willen bewijzen waartoe ze in de 21ste eeuw in staat is: een grote vredesoperatie uitvoeren, ver buiten het eigen grondgebied, om een chaotische staat te stabiliseren die een toevluchtsoord en uitvalsbasis voor terroristen was – en dus een bedreiging voor het Westen. En Obama wilde laten zien dat hij in staat was de oorlog die volgens hem wél noodzakelijk was (anders dan de Irak-oorlog), tot een goed einde te brengen.

Maar voor de NAVO dreigt het avontuur uit te lopen op de grootste mislukking uit haar bestaan. En Obama heeft zijn ambities naar beneden bijgesteld: als de Afghaanse staat niet meteen instort na het vertrek van de buitenlandse troepen, is dat al heel wat.

Al-Qaeda is tenminste verdreven, en de Talibaan oefenen in delen van het land weer grote invloed uit, maar zijn voor de buitenwereld geen bedreiging. Er worden al maanden voorzichtige pogingen ondernomen om te onderhandelen met de Talibaan, in de hoop een gewelddadige machtsovername af te wenden.

Afghanen, en niet alleen vrouwen, houden hun hart vast voor een terugkeer van de radicalen in het centrum van de macht. De opstandelingen hebben niet eens onderhandelingen nodig om dat doel te bereiken. Ze kunnen rustig afwachten tot de buitenlandse troepen zijn vertrokken, en dan hun slag slaan.

Afpersing en drugshandel

Ook op lokaal niveau heeft het Westen veel illusies moeten opgeven. Plaatselijke krijgsheren, vaak rijk geworden door afpersing en drugshandel en machtig door gewelddadige intimidatie, zijn inmiddels geaccepteerde partners van de internationale troepen. De gedachte, waar ook Nederland in geloofde, dat deze figuren vervangen konden worden door de legitieme vertegenwoordigers van de centrale regering, is allang doorgeprikt. De centrale overheid is in een groot deel van het land niet alleen machteloos, ze is ook intens corrupt (tot aan de familie van de president toe, blijkt uit een groot bankschandaal) en wordt door de bevolking diep gewantrouwd.

Desondanks heeft de NAVO al haar kaarten erop gezet het dubieuze bewind in Kabul een groot leger te bezorgen. In hoog tempo zijn de Amerikanen en hun bondgenoten bezig militairen en politiemensen op te leiden, om de verantwoordelijkheid voor de veiligheid in Afghanistan zo snel mogelijk aan hen te kunnen overdragen. Het is, zegt men in Amerika, our ticket to the exit.

Maar dat kaartje om het slagveld te verlaten heeft een hoge prijs. In de eerste plaats in dollars en euro’s, omdat Afghanistan zélf niet in staat zal zijn een troepenmacht te onderhouden van zo’n 350.000 man, waar nu naar gestreefd wordt. Op de NAVO-top dit weekend in Chicago zullen de aanwezige landen geld toezeggen in de hoop de vereiste 4 miljard dollar (2,85 miljard euro) per jaar bijeen te brengen – Nederland heeft al aangekondigd hier jaarlijks 30 miljoen euro voor uit te trekken.

Als de overdracht aan de Afghanen eenmaal is voltooid, is het de bedoeling dat de Afghaanse troepenmacht snel met zo’n 80.000 man wordt ingekrompen – anders zou het wel erg begrotelijk worden. Maar wat moeten die tienduizenden afgedankte militairen verder met hun leven? De banen liggen in Afghanistan niet voor het oprapen, dus het gevaar is reëel dat velen van hen geen andere uitweg zien dan dienst te nemen bij milities, gewapende bendes of erger.

In de ruim tien jaar in Afghanistan heeft het Westen verschillende strategieën uitgeprobeerd en verworpen. Extra troepen zouden de doorslag geven, was een van de gedachten. En als de hearts and minds van de bevolking gewonnen konden worden, dan zouden de Talibaan vanzelf irrelevant worden. De oplossing werd ook gezocht in een gecombineerde militaire, diplomatieke en op ontwikkelingshulp gerichte aanpak, de befaamde 3-D-benadering, in Nederland ook wel ‘Dutch approach’ genoemd. Of er moesten steeds grotere ‘inktvlekken’ van veiligheid gecreëerd worden, bijvoorbeeld door in bepaalde steden of gebieden in korte tijd een grote legermacht, politie en overheidsapparaat neer te zetten: government in a box.

Uiteindelijk is het allemaal onvoldoende gebleken. Ondanks alle inspanningen, ondanks de levens en de honderden miljarden dollars die het gekost heeft. De ambities waren te groot.

Liquidaties

De militaire activiteiten van het Westen worden nu steeds meer beperkt tot antiterreuroperaties, vooral uitgevoerd door de Amerikanen – nachtelijke invallen in huizen waar opstandelingen vermoed worden, liquidaties van vermeende terroristen. Het zijn acties die op gespannen voet staan met het winnen van de harten van de lokale bevolking, maar die op korte termijn de veiligheid kunnen vergroten. Op iets langere termijn is het effect twijfelachtig. Daadwerkelijke veiligheid valt er op den duur niet mee af te dwingen.

Toen Barack Obama in 2009 aantrad als president waren hij en al zijn bondgenoten het er roerend over eens dat een oplossing voor Afghanistan ondenkbaar was zonder de buurlanden erbij te betrekken. Maar van samenwerking met Iran is niets terechtgekomen. En Pakistan is nog altijd toevluchtsoord voor Talibaan, Al-Qaeda en andere extremistische groepen, en zelf ook verre van stabiel. De betrekkingen van het land met de Amerikanen en de NAVO blijven slecht, omdat Pakistan in de Talibaan de beste garantie ziet om invloed in het buurland te behouden. Dat Obama met onbemande vliegtuigjes in Pakistan een onofficiële oorlog voert tegen vermeende terroristen, heeft het anti-Amerikanisme onder Pakistanen steeds verder aangewakkerd.

Amerika is oorlogsmoe, zei Obama onlangs. Voor de Afghanen zal dat nog sterker gelden. Maar de bittere werkelijkheid is dat het de grootste militaire macht van de wereld niet is gelukt om de Afghanen in ruim tien jaar een hoopvol perspectief te bieden. Er is wel vooruitgang geboekt: er gaan meer kinderen naar school – ook meisjes –, de infrastructuur is verbeterd, economische ontwikkeling is gestimuleerd. Maar hoe bestendig zijn die resultaten?

De NAVO zegt na 2014, als de huidige troepenmacht is teruggetrokken, op een of andere manier, met een nieuwe missie, in Afghanistan te blijven. Maar welke rol de NAVO met die ongetwijfeld veel kleinere missie zal willen en kunnen spelen, is nog volstrekt onduidelijk. Het signaal aan de Talibaan moet zijn dat het Westen de Afghanen niet in de steek laat, dat de Amerikanen en hun bondgenoten niet met de staart tussen de benen afdruipen.

Maar niemand in Amerika, Europa of daarbuiten kan deze oorlog zien als een succes. Voor de VS en de NAVO is het belangrijkste resultaat een dure les: zó iets zullen we niet snel nog eens ondernemen.