Ouderwetse oliekoorts in North Dakota

Dankzij de olie is er ineens werk voor iedereen in Williston, North Dakota. Oliebedrijven verdringen zich en de stad wordt overspoeld door werkzoekenden uit de hele VS. De pioniersgeest herleeft in een mannengemeenschap op de prairie.

Living quarters at the Tioga Lodge, a temporary housing compound supporting the overwhelmingly male workforce flooding the region, or man camp, near Williston, N.D., Nov. 2, 2011. Confronted with the unusual problem of too many unfilled jobs and not enough empty beds to accommodate the new arrivals, North Dakota embraced man camps as the imperfect solution to keeping workers rested and oil flowing. (Nicole Bengiveno/The New York Times) NICOLE BENGIVENO/Hollandse Hoo>

Jason Farrell (23) besloot op een dag dat het genoeg was, pakte zijn koffer en nam de trein van zijn geboorteplaats aan de Amerikaanse westkust naar Williston, in North Dakota. Hij was het zat: de gesprekken met zijn vrienden, het rondhangen in het snookercentrum, het zoeken naar een baan. „Ik ben daar te trots voor, ik heb Iers bloed”, en hij trekt zijn T-shirt uit en laat een tatoeage van zijn Ierse familiewapen zien.

In Williston aangekomen, hoefde hij maar een dag te zoeken naar werk. Morgen begint hij als chauffeur voor een oliemaatschappij. „Ik heb al mijn vrienden gebeld, ze komen binnenkort ook. Mijn vrouw ziet er tegenop om met onze drie kinderen te komen. Maar ze zal het hier vast leuk vinden.”

Bezoek een Amerikaanse stad en je hoort verhalen van recessie en achteruitgang. Maar in Williston is alles anders. Hier is volop werk, en het inwonertal groeit. Dit is de laatste plek in de Verenigde Staten waar je nog een tweede kans krijgt, zegt Jason Farrell.

Net als zoveel Amerikanen staat zijn leven in het teken van schulden. Zijn huis in Spokane, in de staat Washington, kon hij niet verkopen. Hij raakte zijn baan kwijt en trok bij zijn moeder in. „Ik heb uitgerekend dat ik in drie jaar mijn schulden kan hebben afbetaald. Dan begint mijn leven opnieuw en kan ik nieuwe plannen maken.”

Williston was tot voor kort een snurkend prairiestadje, dichtbij de Canadese grens. Zoals alle plaatsen in North Dakota liep Williston langzaam leeg. De plaats was ideaal voor gepensioneerden die rust aan hun hoofd wilden, zegt burgemeester Ward Koeser. De droogkomische Republikein staat al achttien jaar aan het hoofd van de afgelegen gemeenschap, die vooral bestond uit nakomelingen van Noorse en Duitse migranten uit de negentiende eeuw.

Een paar jaar geleden werd alles anders. Al langer was bekend dat er een gigantisch olieveld onder Williston ligt, maar niemand kon bij de olie. „Het is een breed, ondiep veld. Pompen lukt je niet, het is net alsof je water met een rietje van tafel slurpt.” Maar met een nieuwe techniek – horizontaal boren – bleek de olie plotseling bereikbaar.

North Dakota, Williston voorop, is plotseling het middelpunt van een ware oliekoorts. „We weten niet wat we meemaken”, zegt Koeser, in zijn kleine kantoortje in het centrum van de stad. „We worden overspoeld door mensen die hier willen werken.”

In korte tijd vestigden zich tientallen bedrijven in het stadje – grote bedrijven als Halliburton en Marathon Oil, en kleine onderneminkjes die hoopten op een gouden vondst. Om gelukszoekers die in het wilde weg boren tegen te gaan, hebben alle oliebedrijven toestemming nodig van de North Dakota Petroleum Council (NDPC). „Er zijn 35.000 banen bijgekomen in North Dakota”, zegt vicevoorzitter Kari Cutting in haar kantoor in de hoofdstad Bismarck.

Dat is niet alleen goed voor de werkgelegenheid, zegt ze. „Olie importeren is duur en de benzineprijzen blijven hoog. We moeten minder afhankelijk worden van buitenlandse olie en onze eigen bronnen aanboren.”

North Dakota kan jaarlijks naar schatting 150 miljoen vaten olie produceren, wat de meest desolate staat in de Verenigde Staten meteen tot de derde olieproducent in het land maakt. Texas en Californië zijn de grootste producenten van olie. Cutting, trots: „We worden al het Saoedi-Arabië van Amerika genoemd.”

Williston is in een paar jaar tijd onherkenbaar geworden. De typerende veeboerderijen gaan verloren achter de loodsen, jaknikkers en haastig gebouwde fabrieken. Op de enige snelweg van de stad denderen trucks voorbij. Tot voor kort woonden er tienduizend mensen in Williston. Nu zijn het er naar schatting dertigduizend, maar dat aantal is moeilijk bij te houden omdat veel arbeiders nergens geregistreerd zijn. Nummerborden van in de berm geparkeerde auto’s laten zien dat werknemers duizenden kilometers hebben afgelegd om te komen werken: Texas, Florida, Alabama.

Burgemeester Koeser: „De pioniersgeest doet denken aan de jaren van de oliekoorts in Texas, aan het begin van de vorige eeuw. Er wonen en werken mensen uit alle staten van het land, we hebben ook veel Mexicanen. In mijn kerk komt opeens een Georgiër. En voor het eerst wonen er zwarten in onze gemeente, dat kenden we hier helemaal niet”. De werkloosheid in North Dakota ligt op 0,9 procent, het laagste percentage in Amerika. Landelijk staat de werkloosheid op ruim 8 procent. „Ik vraag wel eens rond wie die 0,9 procent toch kan zijn”, zegt Koeser. „Dan wíl je ook niet werken, denk ik. Er zijn meer banen dan mensen.”

Oliekoorts is leuk, zegt Koeser, en spannend. Iedere dag ziet zijn stad er anders uit, lijkt het nog groter geworden. Maar het is ook een enorm sociaal experiment, waar hij zich zorgen over maakt. Driekwart van de inwoners van Williston is man. Al die mannen moeten ergens wonen. Hotels zijn in een straal van drie uur rijden niet meer te vinden. Ze zijn voor jaren volgeboekt door oliebedrijven. Wie op de bonnefooi naar Williston komt, zoals Jason Farrell, moet in zijn auto slapen. Veel werknemers komen met een camper, en parkeren die langs de weg, of in een tuin. Koeser: „Dit gaat zo niet langer. Vanaf volgende maand gaat de politie streng optreden, heb ik besloten. Je wilt toch niet wakker worden en vier wildplassende mannen in je tuin aantreffen?”

Grote bedrijven bouwen compounds met kamers voor duizenden werknemers. Het zijn eigenlijk mannendorpen, waar gegeten, gekaart en gepingpongd wordt. Bewoners betalen tientallen dollars, soms honderd dollar, per nacht. Bewakers houden ongewenste gasten, zoals prostituees, buiten de deur. Soms delen twee werknemers met verschillende diensturen één bed. De grootste compound, Capital Lodge, ligt net buiten de stad en biedt plek aan een paar duizend mannen. Koeser: „De compounds hebben de problemen tijdelijk verminderd, maar er is nog steeds geen oplossing. Elke dag zie ik mannen met rugtassen uitstappen bij het treinstation, meestal zonder slaapplek. Met de dag wordt het probleem nijpender. Er zal veel meer gebouwd moeten worden”.

Een van de weinige vrouwen in Williston is Bonnie Johnston, moeder van drie zoons die op de olievelden werken. Ze verkoopt met haar dochter snacks in een omgebouwde caravan. Rond lunchtijd staan er lange rijen mannen te wachten. „Echt leuk is het hier niet voor mij, maar ik heb toch geen tijd voor vriendinnen”, zegt ze. Johnston komt uit buurstaat Montana, waar de werkloosheid hoger is (7 procent). Omdat ze geen huis kon vinden, rijdt ze elke dag vier uur op en neer. „Er is bijna geen eten te vinden in Williston, dus ik heb een gouden handel.” Door het enorme tekort aan vrouwen én het ruime alternatief aan betere banen in de olie kunnen zelfs fastfoodketens nauwelijks personeel vinden. De weinige restaurants die er zijn, zijn onderbemand en smerig. Langs de snelweg verdienen mannen bij door vlees te braden en te verkopen aan hongerige passanten.

De mannen die bij de caravan van Bonnie Johnston een hotdog kopen, meestal gebruind, een gehavend T-shirt en een geknoopte doek op het hoofd, lopen volgens de hoogblonde vrouw vaak met hun ziel onder de arm. „Ze hebben hun gezin niet meegenomen en zoeken wat aandacht.” Iedereen krijgt een moederlijk praatje van Bonnie Johnston. „Er gaan verhalen rond over criminaliteit, en geweld. Zwaar aangedikt, als je het mij vraagt. Maar de jongens vervelen zich ’s avonds natuurlijk, dus er valt wel eens een klap.”

Twee plekken kun je in Williston beter mijden, zegt burgemeester Koeser. „De snelweg is veel te druk, en levensgevaarlijk door de trucks. We maken voor het eerst kennis met verkeersdoden.” Ook het uitgaansgebied, een rijtje cafés en biljartcentra, is niet altijd veilig. Geweld, prostitutie, het komt er allemaal voor. Koeser: „Wat wil je: we hebben hier meer dan tienduizend jonge mannen, vol hormonen, die zichzelf heel wat vinden als ze een biertje te veel hebben gedronken.” Op de meeste compounds is alcohol verboden.

Niemand in de stad weet hoe lang de oliekoorts zal aanhouden. Als de olie op is, zullen de campers en de compounds weer verdwijnen. De oliekoepel NDPC verwacht dat er nog zeker twintig jaar geboord kan worden. Kari Cutting: „Daarom zullen de oliebedrijven meer doen om het dagelijks leven te verbeteren. Sommige bedrijven werven vrijwilligers die vuilnis ophalen. Ook zullen er meer huizen worden gebouwd. Williston is nog niet klaar voor zo veel werknemers, maar het gaat de goede kant op.”

Jason Farrell wil niet altijd in Williston blijven. In de winter vriest het er meer dan twintig graden. En op het uitgaansleven raak je ook snel uitgekeken, zegt hij, zijn slechte gebit blootlachend. Zoals de meeste inwoners zal hij er blijven zolang hij goed verdient, en er genoeg werk is. „Als ik rijk geworden ben, ga ik terug naar Spokane. Ik zal een huis bouwen voor mijn gezin. Amerikanen torsen hun verleden mee: als je een schuld hebt, kom je er niet meer vanaf. Hier ga ik echt opnieuw beginnen.”